arrow_back Alle partijpunten
Partijpunt 1 van 30

Demografie

1,43 kinderen per vrouw (2025) en het aantal geboorten ligt op het laagste peil sinds 1942. HART weigert toe te kijken. Een combinatie van selectieve economische migratie, universele kinderopvang en structureel gezinsbeleid kan het tij keren, als de politiek eindelijk durft te handelen.

België vergrijst sneller dan het zich kan aanpassen. Op 1 januari 2026 telde het land ruim 2,4 miljoen 65-plussers, 20,7% van de bevolking, en dat aandeel groeit elk jaar. Sinds 2022 sterven er elk jaar meer mensen dan er geboren worden (natuurlijk saldo 2025: −4.890). De bevolkingsgroei hangt volledig af van internationale migratie (+47.562 netto in 2025). Het vruchtbaarheidscijfer is gezakt tot 1,43 kinderen per vrouw (2025) en het aantal geboorten ligt op het laagste peil sinds 1942. HART weigert toe te kijken. Een combinatie van selectieve economische migratie, universele kinderopvang en structureel gezinsbeleid kan het tij keren, als de politiek eindelijk durft te handelen.


De Belgische bevolkingspiramide kantelt onherroepelijk

België telde op 1 januari 2026 11.867.634 inwoners (Statbel). De mediaanleeftijd steeg van 37,3 jaar in 1995 naar 42,1 jaar in 2025 (Eurostat). De leeftijdsstructuur tekent het probleem scherp af: 20,7% is 65-plus en 5,7% is zelfs 80-plus (2026). Ter vergelijking: in 1996 was het aandeel 65-plussers nog 16,0%.

De babyboomgeneratie (geboren tussen 1946 en 1964) stroomt massaal de pensioenstelsels in. In 2024 namen 146.320 mensen voor het eerst een rustpensioen op. Op 1 januari 2025 telde België 2,7 miljoen gepensioneerden, een stijging van 1,8% op één jaar (PensionStat.be). De uitgaven voor de wettelijke pensioenen bedroegen in 2024 €66,8 miljard, tegenover €62,9 miljard een jaar eerder (Rekenhof). De jongste babyboomers bereiken rond 2031 de pensioenleeftijd; tot dan blijft de instroom hoog.

De wettelijke pensioenleeftijd steeg op 1 februari 2025 naar 66 jaar en stijgt naar 67 jaar vanaf 2030, maar deze aanpassing compenseert de demografische golf slechts gedeeltelijk. Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing blijft de vergrijzingskost stijgen tot rond 2050 en stabiliseert hij pas daarna.

Het vruchtbaarheidscijfer: dalende lijn sinds 2010

Het totaal vruchtbaarheidscijfer (TFR) in België bereikte zijn hoogste peil van deze eeuw in 2010 met 1,86 kinderen per vrouw. Sindsdien daalt het, met enkel een korte opleving in 2021:

Jaar TFR Geboorten
2010 1,86 ~130.000
2015 1,70 ~122.000
2020 1,55 ~114.000
2021 1,60 ~118.000
2022 1,53 ~114.000
2023 1,47 110.198
2024 1,44 108.150
2025 1,43 108.033

Bron: Statbel (2023–2025), Eurostat (2010–2022, geboorten afgerond)

Het aantal geboorten in 2024, 108.150, was het laagste sinds 1942; in 2025 bleef het vrijwel stabiel. Regionaal scoort Vlaanderen (TFR 1,48) hoger dan Wallonië (1,41) en Brussel (1,32) (2025). De gemiddelde leeftijd van de moeder bij een geboorte steeg tot 31,5 jaar (2025). De demografische vooruitzichten van het Federaal Planbureau en Statbel gaan uit van een gematigd herstel tot ongeveer 1,57 kinderen per vrouw rond 2040, maar dat blijft ver onder het vervangingsniveau van 2,1.

Steeds minder mensen op actieve leeftijd per oudere

De oude-afhankelijkheidsratio (65+/20–64) steeg van 26,7% in 1996 naar 35,9% in 2026 (Statbel). In 1996 stonden er nog bijna 4 mensen op actieve leeftijd tegenover elke 65-plusser, in 2026 minder dan 3. De vooruitzichten van het Federaal Planbureau en Statbel tonen een verdere stijging van de verhouding tussen 67-plussers en 18- tot 66-jarigen:

  • 2025: 28,9%
  • 2070: 42,4%
  • 2080: ongeveer 45%, bijna 1 oudere per 2 mensen op actieve leeftijd

De volledige meerkost van de vergrijzing valt vóór 2050 (Studiecommissie voor de Vergrijzing, 2026). Dat maakt de periode tot 2050 het kritieke venster voor beleidsactie.

De vergrijzing kost 1,5 procentpunt bbp extra tegen 2070

De Studiecommissie voor de Vergrijzing (Jaarlijks verslag 2026) raamt de totale budgettaire meerkost van de vergrijzing op +1,5 procentpunt van het bbp tussen 2025 en 2070. De pensioenhervorming van 2026 drukt de meerkost van de pensioenen met 1,4 procentpunt. Bij een lagere productiviteitsgroei (0,9% in plaats van 1,1% per jaar) loopt de meerkost op tot 3,3 procentpunt.

Categorie 2025 (% bbp) 2070 (% bbp) Verschil
Pensioenen 11,3% 12,0% +0,7 pp
Gezondheidszorg (acuut + langdurig) 8,0% 10,2% +2,1 pp
Arbeidsongeschiktheid en werkloosheid 3,3% 2,6% −0,7 pp
Kinderbijslag en overige 3,0% 2,5% −0,6 pp
Totaal sociale uitgaven 25,7% 27,2% +1,5 pp

Bron: Studiecommissie voor de Vergrijzing, Jaarlijks verslag 2026 (tabel 3); afrondingsverschillen mogelijk

De gezondheidszorg is de grootste kostenpost op lange termijn (+2,1 pp), gevolgd door pensioenen (+0,7 pp). De Europese Commissie (Ageing Report 2024, vóór de hervorming) raamde de stijging van de pensioenuitgaven tussen 2022 en 2070 nog op +3,5 procentpunt bbp. De Belgische overheidsschuld bedroeg eind 2025 107,9% van het bbp, met een begrotingstekort van 5,2% van het bbp (2025).


Economische migratie levert op, asielmigratie kost

De cijfers: arbeid versus asiel

België ontving in 2024 39.615 asielaanvragen (waarvan 33.146 eerste aanvragen) en in 2025 34.439. Daartegenover stonden in 2024 ruim 22.000 positieve beslissingen over gecombineerde vergunningen (single permits) voor arbeidsmigratie, eerste aanvragen en verlengingen samen, naast 231.000 detacheringen van werknemers vanuit andere EU-landen (2023). De verhouding is veelzeggend wanneer men naar de eerste verblijfsvergunningen kijkt:

Migratietype Aandeel eerste verblijfsvergunningen niet-EU-burgers (2024)
Gezinshereniging 45,7%
Bescherming en andere redenen 30,5%
Onderwijs 13,3%
Arbeid 10,5%

Bron: Eurostat, eerste verblijfsvergunningen 2024

De OESO berekent dat van alle langdurige immigratie naar België in 2024 slechts 7% bestond uit arbeidsmigranten. Vrij verkeer binnen de EU domineert (59%), gevolgd door gezinsmigratie (20%) en humanitaire migratie (15%). Het aandeel economische migratie is dus opvallend laag, ook in vergelijking met Canada, waar volgens dezelfde OESO-telling 30% van de nieuwkomers arbeidsmigrant was.

Fedasil-budget: meer dan verdubbeld tussen 2019 en 2024

De directe kosten van de asielopvang zijn spectaculair gestegen:

Jaar Federale dotatie Fedasil
2019 €411 miljoen
2020 €537 miljoen
2021 €531 miljoen
2022 €702 miljoen
2023 €838 miljoen
2024 €929 miljoen

Bron: Fedasil, budget en federale dotaties

De totale uitgaven van Fedasil in 2024 bedroegen €943,4 miljoen: €558,8 miljoen aan subsidies voor partners (Rode Kruis, ngo's, OCMW's), €177,7 miljoen personeelskosten, €73,9 miljoen huisvestingskosten en €59,4 miljoen medische kosten. En Fedasil is niet de volledige kost van asiel: ook CGVS, DVZ, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en het leefloon komen erbij. Op 1 januari 2026 telde het opvangnetwerk 34.764 plaatsen (36.205 een jaar eerder), met een wachtlijst van 1.693 personen.

In 2024 leidde 47,2% van de eindbeslissingen van het CGVS tot een beschermingsstatus; in 2025 was dat 28,4% (8.987 personen beschermd). De beschermingsgraad schommelt dus sterk van jaar tot jaar.

Arbeidsmigranten dragen bij, asielmigranten kosten

De Nationale Bank van België (NBB, 2020) leverde het meest gezaghebbende onderzoek naar de economische impact:

  • De netto fiscale bijdrage van immigranten wordt volgens OESO-ramingen, aangehaald door de NBB, geschat op +0,1% tot +0,8% van het bbp, afhankelijk van de scope van de berekening.
  • De immigratie van de vijf voorafgaande jaren duwde het bbp met 3,5% omhoog: 2% door EU-migratie en 1,5% door niet-EU-migratie.
  • Tewerkstelling is de doorslaggevende factor: hoe hoger de werkzaamheid, hoe hoger de netto bijdrage aan de overheidsfinanciën.
  • Wie via gezinshereniging of internationale bescherming migreerde, heeft 30 procentpunten minder kans op een baan dan arbeidsmigranten.
  • België heeft een van de laagste werkzaamheidsgraden voor migranten van de eerste generatie in de EU: 61% in 2019, bijna 12 procentpunten lager dan voor in België geborenen.
  • De tweede generatie levert gemiddeld een hogere netto fiscale bijdrage dan autochtone Belgen door de jongere leeftijdsstructuur.

HART wil de asielinstroom terugbrengen naar het "eerlijke aandeel" van België in Europa, ongeveer 11.400 aanvragen per jaar (tegenover 34.439 in 2025). Dat verlaagt de asielkosten met naar schatting €300 à 469 miljoen per jaar.

De arbeidsmarkt schreeuwt om werkkrachten

De VDAB telde op de lijst van 2024 241 knelpuntberoepen. Eind 2023 waren er gemiddeld amper 2,3 werkzoekenden per vacature (de spanningsindicator), wat wijst op een zeer krappe arbeidsmarkt. De grootste tekorten bevinden zich in techniek/industrie, bouw, zorg, ICT, transport en horeca. De structurele motor achter deze krapte is de vergrijzing zelf: grote cohorten 55-plussers stromen uit, met massale vervangingsvraag als gevolg.


1. HART wil selectieve economische migratie naar Canadees model

Probleem

België trekt te weinig geschoolde arbeidskrachten aan en te veel ongecontroleerde migratie. Het aandeel arbeidsmigratie (7% van de langdurige immigratie in 2024) is een fractie van dat in Canada (30%). Ondertussen steeg de federale dotatie van Fedasil van €411 miljoen (2019) naar €929 miljoen (2024).

Hoe doen anderen het?

Canada's Express Entry-systeem, gelanceerd in 2015, beheert drie federale economische immigratieprogramma's. Kandidaten worden gerangschikt via het Comprehensive Ranking System (CRS) op een schaal van 1.200 punten. Sinds maart 2025 levert een jobaanbieding geen extra punten meer op; de focus ligt op menselijk kapitaal. Canada voerde in 2023 categoriegebaseerde uitnodigingsrondes in, gericht op specifieke sectoren zoals zorg, STEM en technische beroepen. Het Immigration Levels Plan 2026–2028 voorziet 380.000 permanente verblijfsvergunningen per jaar, waarvan het economische aandeel oploopt tot 64%.

De fiscale resultaten zijn overtuigend: economische hoofdaanvragers hadden in 2022, een jaar na hun toelating, een mediaan loon van C$52.400. Bedrijven van immigrante ondernemers betalen 16% meer netto belastingen per werknemer dan bedrijven van in Canada geboren eigenaars (Statistics Canada).

Australië's SkillSelect-systeem selecteert geschoolde migranten via een puntensysteem met een minimum van 65 punten. Het migratieprogramma voor 2025–2026 omvat 185.000 plaatsen, waarvan 132.200 (71%) in de vaardighedenstroom. Het Grattan Institute berekende dat elke houder van een permanent geschoold visum een fiscaal dividend van A$249.000 oplevert over de levensduur.

Wat HART wil

  • Invoering van een Belgisch puntensysteem voor niet-EU-arbeidsmigranten, naar Canadees-Australisch hybride model: menselijk-kapitaalpunten (leeftijd, opleiding, werkervaring, taalvaardigheid Nederlands/Frans/Duits), zonder verplichte band met één werkgever. Een jobaanbod of aansluiting bij een knelpuntberoep levert extra punten op en versnelt de procedure. Minimale loondrempel op 1,5× het mediaanloon voor de standaardstroom en het mediaanloon voor knelpuntsectoren (zorg, techniek, bouw, ICT).
  • Regionale nominatiemogelijkheid naar Canadees PNP-model: de deelstaten kunnen elk kandidaten nomineren op basis van hun specifieke arbeidsmarkttekorten, binnen één federaal loket met dezelfde regels in heel België.
  • Versnelde procedures: single permit-afhandeling binnen 60 dagen. Eén digitaal portaal voor alle deelstaten.
  • Structureel migratiesaldo van +30.000 tot +50.000 economische migranten per jaar om de werkende bevolking op peil te houden terwijl de afhankelijkheidsratio stijgt.

Vijf kernlessen uit de internationale ervaring

  • Hybride modellen werken het best: zuivere puntensystemen die geen rekening houden met de vraag op de arbeidsmarkt (zoals het voormalige Deense Green Card-systeem, dat werd afgeschaft) leiden tot onderbenutting van vaardigheden.
  • Inkomen als proxy voor vaardigheden: Nieuw-Zeeland gebruikt loondrempels (1,5×, 2×, 3× mediaanloon) als primaire indicator, eenvoudiger en effectiever dan complexe beroepenlijsten.
  • Regionale differentiatie is mogelijk: het Canadese PNP-model biedt een sjabloon voor de Belgische regionale bevoegdheidsverdeling.
  • Tweedestapsmigratie reduceert risico: alle drie de grote systemen gebruiken steeds vaker een tijdelijke-naar-permanente-verblijfspiste, waarbij integratie eerst bewezen moet worden.
  • Integratie-investering is onmisbaar: puntengebaseerde selectie is noodzakelijk maar niet voldoende. Zonder effectieve integratie (diplomaerkenning, taaltraining, begeleiding) presteren zelfs hooggekwalificeerde migranten onder hun niveau.

2. HART wil kinderopvang als publieke infrastructuur: naar Scandinavisch model

Probleem

Vlaanderen telde eind 2025 92.819 vergunde kinderopvangplaatsen in 5.389 opvanglocaties (Opgroeien), 356 minder dan een jaar eerder. Dat zijn amper 46 plaatsen per 100 kinderen van 0 tot 3 jaar: structureel onvoldoende. De gezinsopvang verloor in 2025 alleen al 1.308 plaatsen. Opgroeien raamde in 2026 het tekort op ongeveer 11.500 plaatsen tegen 2029.

De kindratio is problematisch: tot eind 2026 mocht één begeleider 8 à 9 kinderen opvangen. Vanaf 2027 geldt 1:5 voor groepen met alleen baby's, maar nog altijd 1:8 voor peuters en 1:7 in gemengde groepen (Opgroeien), ver boven de 1:3 in Denemarken. De sector kampt met een structureel personeelstekort en hoge uitval door lage lonen en zware werkomstandigheden. De Toekomstgroep Kinderopvang adviseerde in 2024 29.000 extra plaatsen tegen 2034 en een ratio van 1:5 voor alle leeftijdsgroepen.

Hoe doen anderen het?

Indicator België/Vlaanderen Frankrijk Zweden Denemarken
Kinderen onder 3 jaar in formele opvang (2024) 52% 59% 58% 63%
Kleuteronderwijs van 3 jaar tot de leerplicht (2024) 98% 100% 96,3% 96,3%
Publieke uitgaven opvang en kleuteronderwijs (% bbp, 2021) 0,8% 1,2% 1,5% 1,2%
Ouderbijdrage inkomenstarief per opvangdag inkomensgerelateerd max. 3% van het inkomen, plafond 1.547 kronen/maand (sinds juli 2026) max. 25% van de kostprijs
Kind-begeleidersratio (<3 jaar) 1:8–9 (vanaf 2027: 1:5 baby's, 1:8 peuters) 1:5 (niet-stappers) ~1:5 1:3
Wettelijk recht op plek Neen Neen (in uitbreiding) Ja, vanaf 1 jaar Ja, vanaf 26 weken

Bronnen: OESO Family Database, Eurostat, Opgroeien, Eurydice, Skolverket

Zweden hanteert sinds 2002 de maxtaxa: ouders betalen maximaal 3% van het bruto gezinsinkomen voor het eerste kind, met een plafond van 1.547 kronen per maand (sinds 1 juli 2026). Ouderbijdragen dekken maar een klein deel van de totale kosten. Elk kind heeft vanaf 1 jaar wettelijk recht op een plek.

Denemarken garandeert een opvangplek vanaf 26 weken en hanteert een minimumnorm van 1 begeleider per 3 kinderen onder 3 jaar. Het resultaat: 63% van de kinderen onder 3 jaar gaat naar formele opvang, tegenover 39% gemiddeld in de EU (2024).

De economische return

Het effect op vrouwelijke arbeidsparticipatie is uitgesproken: in Zweden werkt bijna 80% van de vrouwen van 20 tot 64 jaar, met een genderkloof van ongeveer 4 procentpunten (2024). Malta voerde in 2014 gratis kinderopvang in voor werkende ouders; de werkzaamheidsgraad van vrouwen (20–64 jaar) steeg er van 52% in 2013 naar 75% in 2024.

Het effect op vruchtbaarheid is eveneens meetbaar: OESO Working Paper nr. 299 (2023) berekende dat USD PPP 1.000 per kind extra aan ouderschapsverlof, kinderopvang of kinderbijslag geassocieerd is met een 1,0–1,6% hoger TFR. Investeringsstudies schatten de return on investment van vroege kinderopvang op €4 tot €9 per geïnvesteerde euro op lange termijn.

Wat HART wil

  • Als eerste stap 10.000 extra kinderopvangplaatsen in Vlaanderen binnen vijf jaar, op weg naar 29.000 extra plaatsen binnen tien jaar, zoals de Toekomstgroep Kinderopvang adviseerde. Het budget (ongeveer €1,1 miljard per jaar sinds 2024) stijgt daarvoor met circa €200–300 miljoen per jaar voor de eerste 10.000 plaatsen, tot €500–700 miljoen extra per jaar bij volledige uitrol.
  • Wettelijk recht op kinderopvang vanaf 9 maanden, naar Deens model. Dit is de structurele hervorming die het verschil maakt.
  • Verbetering kind-begeleidersratio naar 1:5 voor alle leeftijdsgroepen, dus ook voor peuters (1:8) en gemengde groepen (1:7). Geschatte meerkost per ratio-eenheid: ~€95 miljoen.
  • Loonverhoging en statushervorming voor kinderopvangmedewerkers om personeelstekorten aan te pakken.
  • Publieke uitgaven voor opvang en kleuteronderwijs optrekken van 0,8% (2021) naar ongeveer 1,5% van het bbp (Zweeds niveau) over twee legislaturen. Dit vergt een meerjarig investeringspad tot ongeveer €4,3 miljard extra per jaar (0,7 procentpunt van het bbp van 2025), maar genereert bij een rendement van €4 tot €9 per euro naar schatting €17–39 miljard aan langetermijnopbrengsten via hogere vrouwelijke arbeidsparticipatie, hogere belastinginkomsten en lagere sociale kosten.
  • Universeel inkomensgerelateerd tarief voor alle kinderopvangplaatsen, met een maximumtarief naar Zweeds maxtaxa-model (~3% bruto-inkomen, afgetopt).

3. HART wil structureel gezinsbeleid: naar Frans model

Probleem

België geeft in totaal veel uit aan gezinnen (3,2% van het bbp in 2021, boven het OESO-gemiddelde), maar investeert te weinig in wat het verschil maakt: kinderopvang en kleuteronderwijs krijgen samen 0,8% van het bbp, tegenover 1,5% in Zweden. Het vruchtbaarheidscijfer daalt sinds 2010, met enkel een korte opleving in 2021. Jonge gezinnen botsen op torenhoge opvangkosten, eindeloze wachtlijsten en te kort ouderschapsverlof.

Wat werkt écht om geboortecijfers te verhogen?

Frankrijk voert sinds 1945 een van de meest uitgebreide gezinsbeleiden van Europa, met publieke uitgaven voor gezinnen ruim boven het OESO-gemiddelde van 2,35% van het bbp (2021). Het effect was jarenlang indrukwekkend: het Franse TFR bereikte in 2010 2,03, vrijwel het vervangingsniveau. Maar sindsdien viel het naar 1,56 in 2025 (INSEE). Onderzoek schat dat het Franse beleid de vruchtbaarheid structureel met 0,1 tot 0,2 kinderen per vrouw heeft verhoogd: bescheiden per jaar, maar cumulatief over decennia een groot bevolkingseffect.

Scandinavië investeert eveneens ruim in gezinsbeleid: 480 dagen gedeeld ouderschapsverlof in Zweden, universele kinderopvang met wettelijk recht op een plek. Toch zijn de vruchtbaarheidscijfers spectaculair gedaald:

Land Piek (2008–2010) 2024 Daling
Noorwegen 1,98 (2009) 1,45 −27%
Zweden 1,98 (2010) 1,43 −28%
Denemarken 1,89 (2008) 1,47 −22%
Finland 1,87 (2010) 1,25 −33%

Bron: Eurostat

Deze "Nieuwe Noordse Paradox" toont dat zelfs het meest genereuze gezinsbeleid de vruchtbaarheidsdaling niet volledig kan stoppen. Maar het voorkomt erger: zonder dit beleid zou de vruchtbaarheid waarschijnlijk nog lager zijn geweest.

Hongarije bouwde in de jaren 2010 een van de meest genereuze gezinsbeleiden van Europa uit: renteloze leningen, belastingvrijstellingen, woningsubsidies. Het TFR steeg aanvankelijk van 1,23 (2011) naar 1,63 (2021), maar zakte terug naar 1,41 in 2024 (Eurostat). De stijging was grotendeels een timingeffect: vrouwen kregen hun kinderen eerder, maar niet méér kinderen.

Wat de wetenschap zegt

  • Kinderopvang is het effectiefste enkele beleidsinstrument: het verlaagt de opportuniteitskost van kinderen doordat moeders aan het werk kunnen blijven.
  • Financiële transfers werken, mits voldoende groot en stabiel. Effectgroottes variëren van 0,05 tot 0,2 kinderen per vrouw.
  • Beleidsstabiliteit is cruciaal. Het succes van Frankrijk wordt toegeschreven aan decennia ononderbroken gezinsbeleid. Ad-hocmaatregelen produceren enkel kortstondige timingeffecten.
  • Geen enkel land heeft de vruchtbaarheidsdaling volledig omgekeerd naar vervangingsniveau. Het realistischste doel is het voorkomen van extreem lage vruchtbaarheid (<1,3) en het dichten van de kloof tussen gewenste en werkelijke gezinsgrootte (~0,3–0,5 kinderen in de meeste Europese landen).

Wat HART wil

  • Uitbreiding Groeipakket met +25% over de lijn: basisbedrag, leeftijdstoeslag, sociale toeslag, wezen- en invaliditeitsbijslag allemaal 25% hoger. Getoetst met EUROMOD: de grootste armoedewinst zit bij gezinnen met meerdere kinderen en bij alleenstaande ouders (zie EUROMOD-kader onderaan).
  • Fiscale gezinsbonus: belastingvermindering per kind, gemodelleerd op het Franse quotient familial maar progressief vormgegeven om ook lagere inkomens te bereiken.
  • Vaderschapsverlof verlengen naar minimaal 6 weken betaald (20 dagen geboorteverlof sinds 2023), met perspectief op Zweeds niveau (90 dagen gereserveerd per ouder).
  • Integratiepijler: diplomaerkenning, taalcursussen en arbeidsbemiddeling voor nieuwkomers. De NBB toont aan dat de tewerkstellingskloof voor migranten in België een van de slechtste is in de EU.
  • Woningbeleid als gezinspolitiek: naar Tsjechisch en Frans voorbeeld rentevoordelen koppelen aan gezinsvorming. Huisvestingskosten worden steeds vaker aangeduid als een van de belangrijkste barrières voor gezinsvorming.

Geschatte kosten en opbrengsten

Maatregel Geschatte jaarlijkse kost Verwachte opbrengst
29.000 extra kinderopvangplaatsen €500–700 miljoen +2–4 pp vrouwelijke werkzaamheid; €4–9 return per €1
Ratio 1:5 kinderopvang ~€300–400 miljoen Hogere kwaliteit, minder uitval personeel
Groeipakket +25% over de lijn (EUROMOD, tegenover de belastingregels van 2025) €1,75 miljard Samen met de belastinghervorming: AROP totaal −0,91 pp; alleenstaande ouders −2,52 pp; vrouwelijke alleenstaande ouders −3,04 pp
Selectief migratiesysteem Beperkte nettokost (opbrengsten > kosten) +A$249.000 fiscaal dividend per geschoolde migrant (Australisch cijfer)
Reductie asielkosten Besparing €300–469 miljoen/jaar Vrijgekomen middelen voor productieve investeringen
Uitbreiding ouderschapsverlof €100–200 miljoen Hogere gendergelijkheid, indirect effect op vruchtbaarheid

EUROMOD-simulatie: het effect van een Groeipakket-verhoging

HART heeft een Groeipakket-verhoging van +25% over alle bedragen (basisbedrag, leeftijdstoeslag, sociale toeslag, wezen- en invaliditeitsbijslag) gesimuleerd via EUROMOD, het officiële microsimulatiemodel van de Europese Commissie (JRC), tegenover de belastingregels van 2025. De Groeipakket-verhoging werd bovenop de fiscale hervorming uit partijpunt 5 (Belastingen) getest (drie schijven 25/40/50% met drempels €16.000 en €27.000, belastingvrije som €16.000 per jaar die samenvalt met de bovengrens van de laagste schijf).

Macro-effecten, gecombineerd pakket (tegenover de belastingregels van 2025):

  • Budgettaire kost Groeipakket-verhoging: €1,75 miljard per jaar
  • Totale netto kost gecombineerd pakket (fiscaal + Groeipakket): €8,42 miljard per jaar
  • Gini-coëfficiënt: −0,66 procentpunt
  • Armoederisico (AROP) algemeen: −0,91 procentpunt

Armoede-effect per gezinstype (AROP-wijziging in procentpunten):

Gezinstype AROP-wijziging
Algemeen −0,91 pp
Kinderen 0–17 −1,53 pp
Gezinnen met 2 volwassenen en 2 kinderen −1,59 pp
Alleenstaande ouders −2,52 pp
Vrouwelijke alleenstaande ouders −3,04 pp

Gemiddelde wijziging beschikbaar inkomen per deciel, per jaar (tegenover de belastingregels van 2025):

Deciel Wijziging
D1 +€520
D2 +€1.300
D3 +€1.862
D4 +€2.014
D5 +€2.091
D6 +€2.041
D7 +€2.061
D8 +€1.958
D9 +€1.635
D10 +€1.131

Iedereen gaat erop vooruit, ook het hoogste deciel (+€94 netto per maand, ongeveer +1,1%). De sterkste absolute winst zit bij D3–D7, de middenklasse die de zwaarste fiscale druk draagt (+€1.862–€2.091 per jaar). De grootste relatieve winst zit bij D2–D3 (+4,7–5,7%). De absolute armoedereductie komt vooral door de Groeipakket-verhoging, die gericht terechtkomt bij gezinnen met kinderen en monoparentale gezinnen.

Waarom +25% over de lijn, en niet alleen het eerste kind? Een verhoging die alleen op het eerste kind focust, kost €200–400 miljoen. De EUROMOD-test toont dat een gerichte verhoging op het eerste kind te weinig armoede-impact heeft bij grote gezinnen en bij alleenstaande ouders. De grootste armoedewinst zit net daar: bij gezinnen met meerdere kinderen en bij monoparentale gezinnen (vooral vrouwelijke alleenstaande ouders). Een verhoging over de lijn levert daarom de sterkste AROP-reductie op voor precies de doelgroepen die HART wil beschermen. Het verschil in kostprijs (€1,75 mld vs. €200–400 mln) weerspiegelt het verschil in ambitie én in bereik: dit is geen symbooldossier, dit is een structurele armoedereductie.


Conclusie: drie hefbomen, één coherent verhaal

België zit in het kritieke venster tot 2050, de periode waarin de vergrijzingskost stijgt. Geen enkele maatregel volstaat op zich. HART kiest voor een driesporenbeleid:

1. Economisch: migratie verschuiven van humanitair naar economisch. Naar het bewezen model van Canada en Australië: een puntensysteem dat selecteert op wat je bijdraagt, met een structureel migratiesaldo van +30.000 tot +50.000 geschoolde werkkrachten per jaar.

2. Kinderopvang: uitbouwen tot universele publieke infrastructuur. De grootste onbenutte hefboom voor België. Met een investering van ~0,7 procentpunt bbp extra kan België de Scandinavische dekkingsgraad benaderen, de vrouwelijke arbeidsparticipatie structureel verhogen, en tegelijk de vruchtbaarheid ondersteunen.

3. Gezinsbeleid: stabiel, omvattend, langdurig. Het Hongaarse experiment leert dat zelfs massale financiële prikkels de vruchtbaarheidsdaling niet keren zonder kinderopvang en werk-gezinsverzoening. De Franse les is dat beleidsstabiliteit over decennia meer oplevert dan kortstondige spectaculaire maatregelen. HART wil hogere kinderbijslag, langer vaderschapsverlof en woningbeleid als gezinspolitiek.

De cijfers zijn helder. De beleidsopties zijn bewezen. Wat rest, is politieke keuze en uitvoering. HART maakt die keuze.


Dit programma is onderbouwd met data van Statbel (bevolkingsstatistieken 2024–2026), het Federaal Planbureau en Statbel (Demografische vooruitzichten 2025–2080), de Studiecommissie voor de Vergrijzing (Jaarlijks verslag 2026), de Europese Commissie (Ageing Report 2024), Eurostat, de Nationale Bank van België (NBB, 2020), het Rekenhof, Fedasil (budget 2019–2024), het CGVS, de OESO (International Migration Outlook), de Federale Pensioendienst (PensionStat.be), OESO Family Database, OESO Working Paper nr. 299, Opgroeien, INSEE (Frankrijk), Skolverket (Zweden), Statistics Canada, het Grattan Institute (Australië), en best practices uit Canada, Australië, Frankrijk, Zweden, Denemarken en Finland.