arrow_back Alle partijpunten
Partijpunt 1 van 30

Demografie

1,44 kinderen per vrouw, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog. HART weigert toe te kijken. Een combinatie van selectieve economische migratie, universele kinderopvang en structureel gezinsbeleid kan het tij keren. Als de politiek eindelijk durft te handelen.

België vergrijst sneller dan het zich kan aanpassen. Het land telt vandaag 2,4 miljoen 65-plussers. Ruim 20% van de bevolking. En dat aandeel groeit elk jaar. In 2024 stierven voor het eerst structureel meer Belgen dan er geboren werden (natuurlijk saldo: −3.879). De bevolkingsgroei hangt nu volledig af van internationale migratie (+66.044 netto). Het vruchtbaarheidscijfer is gezakt tot 1,44 kinderen per vrouw, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog. HART weigert toe te kijken. Een combinatie van selectieve economische migratie, universele kinderopvang en structureel gezinsbeleid kan het tij keren. Als de politiek eindelijk durft te handelen.


De Belgische bevolkingspiramide kantelt onherroepelijk

België telt op 1 januari 2025 precies 11.825.551 inwoners (Statbel). De gemiddelde leeftijd steeg van 38 jaar in 1995 naar 42 jaar vandaag. De leeftijdsstructuur tekent het probleem scherp af: 19,6% is jonger dan 18, 60% valt in de werkende leeftijd (18–64), en 20,3% is 65-plus. Ter vergelijking: in 1995 was het aandeel 65-plussers nog 15,8%.

De babyboomgeneratie (geboren 1946–1964): in 2025 tussen 61 en 79 jaar oud. Stroomt massaal de pensioenstelsels in. In 2023 gingen 145.527 Belgen voor het eerst met wettelijk pensioen. Het totale aantal gepensioneerden bedroeg begin 2024 al 2,6 miljoen, een stijging van 1,8% op één jaar. De pensioenuitgaven overschreden in 2024 de grens van €66 miljard een stijging van 38% in vijf jaar (PensionStat.be/Federale Pensioendienst). In de periode 2025–2035 zullen naar schatting 1,3 tot 1,5 miljoen bijkomende pensioneringen plaatsvinden, waarna het totale aantal gepensioneerden de kaap van 3 miljoen overschrijdt.

De wettelijke pensioenleeftijd werd op 1 februari 2025 verhoogd naar 66 jaar en stijgt naar 67 jaar vanaf 2030, maar deze aanpassing compenseert de demografische golf slechts gedeeltelijk. Het Federaal Planbureau verwacht dat de vergrijzingsdruk pas rond 2040 stabiliseert, wanneer het babyboomeffect geleidelijk uitdooft.

Het vruchtbaarheidscijfer: vrije val sinds 2008

Het totaal vruchtbaarheidscijfer (TFR) in België bereikte zijn recente piek in 2008–2010 met 1,86 kinderen per vrouw. Sindsdien is het onafgebroken gedaald:

Jaar TFR Geboorten
2008 1,86 ~129.000
2015 1,70 ~121.000
2020 1,55 ~115.000
2022 1,53 ~113.000
2023 1,47 110.198
2024 1,44 108.150

Bron: Statbel, Federaal Planbureau

Het aantal geboorten in 2024. 108.150. Is het laagste sinds 1942. Regionaal scoort Vlaanderen (TFR 1,48) iets hoger dan Wallonië (1,43) en Brussel (1,34). De gemiddelde leeftijd bij de geboorte van het eerste kind steeg tot 31,4 jaar. De Studiecommissie voor de Vergrijzing gaat in haar projecties uit van een gedeeltelijk herstel tot circa 1,6–1,7 tegen 2030, maar dit blijft ver onder het vervangingsniveau van 2,1.

De afhankelijkheidsratio verdubbelt bijna

De oude-afhankelijkheidsratio (65+/20–64) steeg van 26,2% in 1995 naar 35,3% in 2025 (Statbel). Waar er in 1995 nog bijna 4 werkenden per gepensioneerde waren, zijn dat er nu minder dan 3. De projecties van Eurostat (EUROPOP2023) tonen een verdere versnelling:

  • 2030: ~36–37%
  • 2040: ~41–43%
  • 2050: ~43–45%
  • 2070: 53,0% minder dan 2 werkenden per gepensioneerde

Twee derde van de totale stijging voltrekt zich vóór 2040. Dit maakt de komende vijftien jaar het meest kritieke venster voor beleidsactie.

De vergrijzing kost €1,7 procentpunt bbp extra tegen 2070

De Studiecommissie voor de Vergrijzing (Jaarverslag 2025) raamt de totale budgettaire meerkost van de vergrijzing op +1,7 procentpunt van het bbp tussen 2024 en 2070. Dit is aanzienlijk lager dan de raming in het Jaarverslag 2024 (+4,2 procentpunt), dankzij de pensioenhervorming van de Arizona-coalitie die de kosten met 1,6 procentpunt drukt.

Categorie 2024 (% bbp) 2070 (% bbp) Verschil
Pensioenen 11,3% 12,2% +0,9 pp
Gezondheidszorg (acuut + langdurig) 8,0% 10,1% +2,1 pp
Invaliditeit/werkloosheid 3,1% 2,4% −0,6 pp
Kinderbijslag e.a. 3,4% 2,7% −0,7 pp
Totaal sociale uitgaven 25,8% 27,5% +1,7 pp

Bron: Studiecommissie voor de Vergrijzing, Jaarverslag 2025; Federaal Planbureau

De gezondheidszorg is de grootste kostenpost op lange termijn (+2,1 pp), gevolgd door pensioenen (+0,9 pp). De Europese Commissie (Ageing Report 2024, vóór de hervorming) raamde de pensioenstijging zelfs op +3,5 procentpunt bbp tegen 2070. Het IMF schat de totale vergrijzingskosten (2019–2070) op +5,4% van het bbp waarvan de helft pensioenen, de helft zorg. De Belgische staatsschuld bedraagt 103,9% van het bbp (eind 2024), met een begrotingstekort van 5,3% (2025).


Economische migratie levert op, asielmigratie kost

De cijfers: arbeid versus asiel

België ontving in 2024 39.615 asielaanvragen (waarvan 33.146 eerste aanvragen), terwijl er jaarlijks circa 24.000 gecombineerde vergunningen (single permits) voor arbeidsmigratie werden afgeleverd, plus 231.000 detacheringen van gedetacheerde werknemers. De verhouding is veelzeggend wanneer men naar de totale verblijfsvergunningen kijkt:

Migratietype Aandeel eerste verblijfsvergunningen
Gezinshereniging 45,7%
Bescherming/humanitair 30,5%
Onderwijs 13,3%
Arbeid (niet-EU) 10,5%

Bron: Eurostat, Myria, Prague Process 2024

De OESO berekent dat van alle langdurige immigratie naar België slechts 7% bestaat uit niet-EU-arbeidsmigranten. EU-vrij verkeer domineert (59%), gevolgd door gezinsmigratie (20%) en humanitaire migratie (15%). Het aandeel economische migratie is dus opvallend laag in vergelijking met landen als Canada (64%) of Australië (71%).

Fedasil-budget: verdubbeld in vijf jaar

De directe kosten van de asielopvang zijn spectaculair gestegen:

Jaar Federale dotatie Fedasil
2019 €411 miljoen
2020 €537 miljoen
2022 €702 miljoen
2023 €838 miljoen
2024 €929 miljoen

Bron: Fedasil, jaarrekeningen

De totale uitgaven van Fedasil in 2024 bedroegen €943,4 miljoen: €558,8 miljoen aan subsidies voor partners (Rode Kruis, ngo's, OCMW's), €177,7 miljoen personeelskosten, €73,9 miljoen huisvestingskosten en €59,4 miljoen medische kosten. De opvangcapaciteit bedroeg 36.205 plaatsen, met een wachtlijst van 2.809 personen op jaareinde.

Het CGVS kende in 2024 het vluchtelingenstatuut toe aan 15.668 personen en subsidiaire bescherming aan 601 personen, met een beschermingsgraad van 47,2%. De hoogste in jaren.

Arbeidsmigranten dragen bij, asielmigranten kosten

De Nationale Bank van België (NBB, 2020) leverde het meest gezaghebbende onderzoek naar de fiscale impact:

  • De netto fiscale bijdrage van immigratie wordt geraamd op +0,1% tot +0,8% van het bbp, afhankelijk van de scope van de berekening.
  • Recente immigratie (5-jaarsstromen) duwde het bbp met +3,5% omhoog. Waarvan +2% door EU-migratie en +1,5% door niet-EU-migratie.
  • Tewerkstelling is de doorslaggevende factor: personen met een baan leveren een positieve netto bijdrage, personen zonder baan een negatieve.
  • Wie via gezinshereniging of internationale bescherming migreerde, heeft 30 procentpunten minder kans op een baan dan arbeidsmigranten.
  • België heeft een van de slechtste werkzaamheidskloven voor migranten in de EU: 61% tewerkstelling voor immigranten versus ~73% voor in België geborenen.
  • De tweede generatie levert gemiddeld een hogere netto fiscale bijdrage dan autochtone Belgen door de jongere leeftijdsstructuur.

De Arizona-coalitie (januari 2025) plant besparingen van €1,58 miljard op migratie, onder meer door de asielinstroom te reduceren tot het "eerlijke aandeel" van België onder het EU-Migratiepact (~11.400 aanvragen versus ~40.000 vandaag), een besparingspad van €469 miljoen tegen 2029.

De arbeidsmarkt schreeuwt om werkkrachten

De VDAB telde in 2024 241 knelpuntberoepen circa 40% van alle beroepen. De spanningsindicator (verhouding werkzoekenden per vacature) daalde van 5,4 in 2017 naar slechts 2,3 in 2024, wat wijst op een extreem krappe arbeidsmarkt. De grootste tekorten bevinden zich in techniek/industrie, bouw, zorg, ICT, transport en horeca. De structurele motor achter deze krapte is de vergrijzing zelf: grote cohorten 55-plussers stromen uit, met massale vervangingsvraag als gevolg.


1. HART wil selectieve economische migratie naar Canadees model

Probleem

België trekt te weinig geschoolde arbeidskrachten aan en te veel ongecontroleerde migratie. Het aandeel economische migratie (7% van langdurige immigratie) is een fractie van Canada (64%) of Australië (71%). Ondertussen verdubbelde het Fedasil-budget in vijf jaar tot bijna €1 miljard.

Hoe doen anderen het?

Canada's Express Entry-systeem, gelanceerd in 2015, beheert drie federale economische immigratieprogramma's. Kandidaten worden gerangschikt via het Comprehensive Ranking System (CRS) op een schaal van 1.200 punten. Sinds maart 2025 zijn punten voor jobaanbiedingen geschrapt; de focus verschuift volledig naar intrinsiek menselijk kapitaal. Canada voerde in 2023 categoriegebaseerde uitnodigingsrondes in, gericht op specifieke sectoren zoals zorg, STEM en technische beroepen. Het Immigration Levels Plan 2026–2028 voorziet 380.000 permanente verblijfsvergunningen per jaar, waarvan het economische aandeel stijgt van 59% naar 64%.

De fiscale resultaten zijn overtuigend: economische hoofdaanvragers hadden in 2022 een mediane startwedde van C$52.400. Bedrijven van immigrante ondernemers betalen 16% meer belastingen per werknemer dan bedrijven van in Canada geboren eigenaars (Statistics Canada, 2024).

Australië's SkillSelect-systeem selecteert geschoolde migranten via een puntensysteem met een minimum van 65 punten. Het migratieprogram voor 2025–2026 omvat 185.000 plaatsen, waarvan 132.200 (71%) in de vaardighedenstroom. Het Grattan Institute berekende dat elke permanente geschoolde visumaanvrager een fiscaal dividend van A$249.000 oplevert over de levensduur.

Wat HART wil

  • Invoering van een Belgisch puntensysteem voor niet-EU-arbeidsmigranten, naar Canadees-Australisch hybride model: combinatie van menselijk-kapitaalpunten (leeftijd, opleiding, taalvaardigheid Nederlands/Frans/Duits) mét vereiste van jobaanbod of sectorale aansluiting bij knelpuntberoepen. Minimale loondrempel op 1,5× het mediaanloon voor de standaardstroom en het mediaanloon voor knelpuntsectoren (zorg, techniek, bouw, ICT).
  • Regionale nominatiemogelijkheid naar Canadees PNP-model: Vlaanderen, Wallonië en Brussel kunnen elk kandidaten nomineren op basis van hun specifieke arbeidsmarkttekorten.
  • Versnelde procedures: single permit-afhandeling binnen 60 dagen. Eén digitaal portaal voor alle gewesten.
  • Structureel migratiesaldo van +30.000 tot +50.000 economische migranten per jaar om de werkende bevolking op peil te houden terwijl de afhankelijkheidsratio stijgt.

Vijf kernlessen uit de internationale ervaring

  • Hybride modellen werken het best: zuivere puntensystemen zonder jobaanbod (zoals het voormalige Deense Green Card-systeem, dat werd afgeschaft) leiden tot onderbenutting van vaardigheden.
  • Inkomen als proxy voor vaardigheden: Nieuw-Zeeland gebruikt loondrempels (1,5×, 2×, 3× mediaanloon) als primaire indicator. Eenvoudiger en effectiever dan complexe beroepenlijsten.
  • Regionale differentiatie is mogelijk: het Canadese PNP-model biedt een sjabloon voor de Belgische regionale bevoegdheidsverdeling.
  • Tweedestapsmigratie reduceert risico: alle drie de grote systemen gebruiken steeds vaker een tijdelijke-naar-permanente-verblijfspiste, waarbij integratie eerst bewezen moet worden.
  • Integratie-investering is onmisbaar: puntengebaseerde selectie is noodzakelijk maar niet voldoende. Zonder effectieve integratie (diplomaerkenning, taaltraining, begeleiding) presteren zelfs hooggekwalificeerde migranten onder hun niveau.

2. HART wil kinderopvang als publieke infrastructuur: naar Scandinavisch model

Probleem

Vlaanderen telde eind 2024 93.175 vergunde kinderopvangplaatsen over 5.524 locaties (Agentschap Opgroeien). Dat vertaalt zich in slechts 45 plaatsen per 100 kinderen van 0–3 jaar structureel onvoldoende. Ondanks beloftes van 5.000 extra plaatsen in 2023 materialiseerden er amper 150. In de eerste negen maanden van 2025 kwamen er slechts 8 netto nieuwe plaatsen bij. De gezinsopvang verliest jaarlijks honderden plaatsen (−925 in 2024).

De kindratio is problematisch: 1 begeleider per 8 à 9 baby's ver boven de 1:5 in Franse crèches of 1:3 in Denemarken. De sector kampt met ~450 openstaande vacatures en structureel hoge uitval door lage lonen en zware werkomstandigheden. De Toekomstgroep (2024) adviseerde 29.000 extra plaatsen tegen 2034 en een ratio van 1:5 voor alle leeftijdsgroepen.

Hoe doen anderen het?

Indicator België/Vlaanderen Frankrijk Zweden Denemarken
Opvang 0–2 jaar ~50–55% ~60% ~55–60% (91% tegen 3 jaar) 81,6% (1–2 jaar)
Opvang 3–5 jaar ~98% ~100% 96,3% 94,4%
Publieke uitgaven ECEC (% bbp) ~0,8–0,9% >1,0% 1,6% ~1,3–1,4%
Max. ouderbijdrage/maand ~€790 (voltijds) ~€335 (crèche) ~€145 (maxtaxa) ~€633 (Kopenhagen)
Kind-begeleidersratio (<3 jaar) 1:8–9 1:5 ~1:5–6 1:3
Wettelijk recht op plek Neen Neen (in uitbreiding) Ja, vanaf 1 jaar Ja, vanaf 26 weken

Bronnen: OESO Family Database, Eurostat, Agentschap Opgroeien, Eurydice

Zweden hanteert sinds 2002 de maxtaxa: ouders betalen maximaal 3% van het bruto-inkomen voor het eerste kind (afgetopt op ~€145/maand). Ouderbijdragen dekken slechts 7% van de totale kosten. Elk kind heeft vanaf 1 jaar wettelijk recht op een plek.

Denemarken garandeert een opvangplek vanaf 26 weken. De kind-begeleidersratio van 1:3 voor kinderen onder 3 jaar is de beste ter wereld. Het resultaat: 81,6% van de 1–2-jarigen bezoekt formele opvang. Het hoogste percentage in de EU.

De economische return

Het effect op vrouwelijke arbeidsparticipatie is uitgesproken: Zweden heeft een vrouwelijke werkzaamheidsgraad van meer dan 80% met een genderkloof van minder dan 3 procentpunten. Malta zag na de invoering van gratis universele kinderopvang in 2014 de vrouwelijke arbeidsparticipatie stijgen van ~40% naar meer dan 70%.

Het effect op vruchtbaarheid is eveneens meetbaar: OESO Working Paper nr. 299 berekende dat een stijging van USD PPP 1.000 per kind aan kinderopvanguitgaven geassocieerd is met een 1,0–1,6% stijging van het TFR. Investeringsstudies schatten de return on investment van vroege kinderopvang op €4 tot €9 per geïnvesteerde euro op lange termijn.

Wat HART wil

  • 10.000 extra kinderopvangplaatsen in Vlaanderen tegen 2030 (lopend engagement), met als langetermijndoel 29.000 extra plaatsen tegen 2034 (Toekomstgroep). Dit vereist een jaarlijkse budgetverhoging van circa €200–300 miljoen bovenop de huidige €1,1 miljard.
  • Wettelijk recht op kinderopvang vanaf 9 maanden, naar Deens model. Dit is de structurele hervorming die het verschil maakt.
  • Verbetering kind-begeleidersratio naar 1:5 voor alle leeftijdsgroepen (nu 1:8–9). Geschatte meerkost per ratio-eenheid: ~€95 miljoen.
  • Loonverhoging en statushervorming voor kinderopvangmedewerkers om personeelstekorten aan te pakken.
  • Verdubbeling publieke kinderopvanguitgaven van ~0,9% naar 1,5–1,6% van het bbp (Zweeds niveau) over twee legislaturen. Dit vergt een meerjarig investeringspad van €3–4 miljard extra per jaar, maar genereert naar schatting €12–36 miljard aan langetermijnopbrengsten via hogere vrouwelijke arbeidsparticipatie, hogere belastinginkomsten en lagere sociale kosten.
  • Universeel inkomensgerelateerd tarief voor alle kinderopvangplaatsen, met een maximumtarief naar Zweeds maxtaxa-model (~3% bruto-inkomen, afgetopt).

3. HART wil structureel gezinsbeleid: naar Frans model

Probleem

België investeert te weinig in gezinsbeleid vergeleken met de Europese koplopers. Het vruchtbaarheidscijfer daalt al 16 jaar onafgebroken. Jonge gezinnen botsen op torenhoge opvangkosten, eindeloze wachtlijsten en te kort ouderschapsverlof.

Wat werkt écht om geboortecijfers te verhogen?

Frankrijk voert al meer dan 80 jaar het meest uitgebreide gezinsbeleid van Europa, met een totale investering van ~3,6% van het bbp de hoogste in de OESO. Het effect was jarenlang indrukwekkend: het Franse TFR bereikte in 2010 2,03 vrijwel het vervangingsniveau. Maar sindsdien viel het naar 1,62 in 2024 (INSEE). Onderzoek schat dat het Franse beleid de vruchtbaarheid structureel met 0,1 tot 0,2 kinderen per vrouw heeft verhoogd. Bescheiden per jaar, maar cumulatief over 80 jaar een massaal bevolkingseffect. Duke University (2023) bewees dat financiële prikkels direct invloed hebben op vruchtbaarheidsbeslissingen.

Scandinavië investeert 3,2–3,4% van het bbp in gezinsbeleid: 480 dagen gedeeld ouderschapsverlof in Zweden, universele kinderopvang met wettelijk recht op een plek. Toch zijn de vruchtbaarheidscijfers spectaculair gedaald:

Land Piek (~2009–2010) 2024 Daling
Noorwegen 1,98 1,44 −27%
Zweden 1,91 1,43 −25%
Denemarken 1,87 1,47 −21%
Finland 1,87 1,25 −33%

Bron: Nordische statistiekbureaus, Eurostat

Dit. De "Nieuwe Noordse Paradox". Toont dat zelfs het meest genereuze gezinsbeleid de vruchtbaarheidsdaling niet volledig kan stoppen. Maar het voorkomt erger: zonder dit beleid zou de vruchtbaarheid waarschijnlijk nog lager zijn geweest.

Hongarije investeert 5–6% van het bbp in gezinssubsidies: renteloze leningen, belastingvrijstellingen, woningsubsidies. Het TFR steeg aanvankelijk van 1,23 (2011) naar 1,61 (2020), maar zakte terug naar 1,39 in 2024. De stijging was grotendeels een timingeffect: vrouwen kregen hun kinderen eerder, maar niet méér kinderen.

Wat de wetenschap zegt

  • Kinderopvang is het effectiefste enkele beleidsinstrument het verlaagt de opportuniteitskost van kinderen doordat moeders aan het werk kunnen blijven.
  • Financiële transfers werken, mits voldoende groot en stabiel. Effectgroottes variëren van 0,05 tot 0,2 kinderen per vrouw.
  • Beleidsstabiliteit is cruciaal. Het succes van Frankrijk wordt toegeschreven aan 80 jaar ononderbroken gezinsbeleid. Ad-hocmaatregelen produceren enkel kortstondige timingeffecten.
  • Geen enkel land heeft de vruchtbaarheidsdaling volledig omgekeerd naar vervangingsniveau. Het realistischste doel is het voorkomen van extreem lage vruchtbaarheid (<1,3) en het dichten van de kloof tussen gewenste en werkelijke gezinsgrootte (~0,3–0,5 kinderen in de meeste Europese landen).

Wat HART wil

  • Uitbreiding Groeipakket met +25% over de lijn: basisbedrag, leeftijdstoeslag, sociale toeslag, wezen- en invaliditeitsbijslag allemaal 25% hoger. Getoetst met EUROMOD: de grootste armoedewinst zit bij gezinnen met meerdere kinderen en bij alleenstaande ouders (zie EUROMOD-kader onderaan).
  • Fiscale gezinsbonus: belastingvermindering per kind, gemodelleerd op het Franse quotient familial maar progressief vormgegeven om ook lagere inkomens te bereiken.
  • Vaderschapsverlof verlengen naar minimaal 6 weken betaald (nu 20 dagen), met perspectief op Zweeds niveau (90 dagen gereserveerd per ouder).
  • Integratiepijler: diplomaerkenning, taalcursussen en arbeidsbemiddeling voor nieuwkomers. De NBB toont aan dat de tewerkstellingskloof voor migranten in België een van de slechtste is in de EU.
  • Woningbeleid als gezinspolitiek: naar Tsjechisch en Frans voorbeeld rentevoordelen koppelen aan gezinsvorming. Huisvestingskosten worden steeds vaker aangeduid als een van de belangrijkste barrières voor gezinsvorming.

Geschatte kosten en opbrengsten

Maatregel Geschatte jaarlijkse kost Verwachte opbrengst
29.000 extra kinderopvangplaatsen €500–700 miljoen +2–4 pp vrouwelijke werkzaamheid; €4–9 return per €1
Ratio 1:5 kinderopvang ~€300–400 miljoen Hogere kwaliteit, minder uitval personeel
Groeipakket +25% over de lijn (EUROMOD 2025) €1,75 miljard AROP totaal −0,83 pp; alleenstaande ouders −2,52 pp; vrouwelijke alleenstaande ouders −3,04 pp
Selectief migratiesysteem Beperkte nettokost (opbrengsten > kosten) +€249.000 fiscaal dividend per geschoolde migrant (Australisch cijfer)
Reductie asielkosten Besparing €300–469 miljoen/jaar Vrijgekomen middelen voor productieve investeringen
Uitbreiding ouderschapsverlof €100–200 miljoen Hogere gendergelijkheid, indirect effect op vruchtbaarheid

EUROMOD-simulatie: het effect van een Groeipakket-verhoging

HART heeft een Groeipakket-verhoging van +25% over alle bedragen (basisbedrag, leeftijdstoeslag, sociale toeslag, wezen- en invaliditeitsbijslag) gesimuleerd via EUROMOD, het officiële microsimulatiemodel van de Europese Commissie (JRC) voor België 2025. De Groeipakket-verhoging werd bovenop de fiscale hervorming uit H.6 Belastingen getest (drie schijven 25/40/50% met drempels €16.000 en €27.000, belastingvrije som €16.000 per jaar die samenvalt met de bovengrens van de laagste schijf).

Macro-effecten, gecombineerd pakket:

  • Budgettaire kost Groeipakket-verhoging: €1,75 miljard per jaar
  • Totale netto kost gecombineerd pakket (fiscaal + Groeipakket): €8,42 miljard per jaar
  • Gini-coëfficiënt: −0,66 procentpunt
  • Armoederisico (AROP) algemeen: −0,91 procentpunt

Armoede-effect per gezinstype (AROP-wijziging in procentpunten):

Gezinstype AROP-wijziging
Algemeen −0,91 pp
Kinderen 0–17 −1,53 pp
Gezinnen met 2 volwassenen en 2 kinderen −1,59 pp
Alleenstaande ouders −2,52 pp
Vrouwelijke alleenstaande ouders −3,04 pp

Gemiddelde wijziging beschikbaar inkomen per deciel, per jaar:

Deciel Wijziging
D1 +€520
D2 +€1.300
D3 +€1.862
D4 +€2.014
D5 +€2.091
D6 +€2.041
D7 +€2.061
D8 +€1.958
D9 +€1.635
D10 +€1.131

Iedereen gaat erop vooruit, ook het hoogste deciel (+€94 netto per maand, ongeveer +1,1%). Het sterkste absolute gewinn zit bij D3–D7, de middenklasse die vandaag de zwaarste fiscale druk draagt (+€1.862–€2.091 per jaar). De grootste relatieve winst zit bij D2–D3 (+4,7–5,7%). De absolute armoedereductie komt vooral door de Groeipakket-verhoging, die gericht terechtkomt bij gezinnen met kinderen en monoparentale gezinnen.

Waarom +25% over de lijn, en niet alleen het eerste kind? De oorspronkelijke raming (€200–400 mln) focuste op het eerste kind. De EUROMOD-test toont dat een gerichte verhoging op het eerste kind te weinig armoede-impact heeft bij grote gezinnen en bij alleenstaande ouders. De grootste armoedewinst zit net daar: bij gezinnen met meerdere kinderen en bij monoparentale gezinnen (vooral vrouwelijke alleenstaande ouders). Een verhoging over de lijn levert daarom de sterkste AROP-reductie op voor precies de doelgroepen die HART wil beschermen. Het verschil in kostprijs (€1,75 mld vs. €200–400 mln) weerspiegelt het verschil in ambitie én in bereik: dit is geen symbooldossier, dit is een structurele armoedereductie.


Conclusie: drie hefbomen, één coherent verhaal

België bevindt zich in het kritieke venster vóór 2040, wanneer de vergrijzingsdruk het sterkst toeneemt. Geen enkele maatregel volstaat op zich. HART kiest voor een driesporenbeleid:

1. Economisch. Migratie verschuiven van humanitair naar economisch. Naar het bewezen model van Canada en Australië: een puntensysteem dat selecteert op wat je bijdraagt, met een structureel migratiesaldo van +30.000 tot +50.000 geschoolde werkkrachten per jaar.

2. Kinderopvang. Uitbouwen tot universele publieke infrastructuur. De grootste onbenutte hefboom voor België. Met een investering van ~0,7 procentpunt bbp extra kan België de Scandinavische dekkingsgraad benaderen, de vrouwelijke arbeidsparticipatie structureel verhogen, en tegelijk de vruchtbaarheid ondersteunen.

3. Gezinsbeleid. Stabiel, omvattend, langdurig. Het Hongaarse experiment leert dat zelfs massale financiële prikkels de vruchtbaarheidsdaling niet keren zonder kinderopvang en werk-gezinsverzoening. De Franse les is dat beleidsstabiliteit over decennia meer oplevert dan kortstondige spectaculaire maatregelen. HART wil hogere kinderbijslag, langer vaderschapsverlof en woningbeleid als gezinspolitiek.

De cijfers zijn helder. De beleidsopties zijn bewezen. Wat rest, is politieke keuze en uitvoering. HART maakt die keuze.


Dit programma is onderbouwd met data van Statbel (bevolkingsstatistieken 2024–2025), het Federaal Planbureau (bevolkingsprojecties), de Studiecommissie voor de Vergrijzing (Jaarverslag 2024/2025), de Europese Commissie (Ageing Report 2024, EUROPOP2023), Eurostat, de Nationale Bank van België (NBB, 2020), Fedasil (jaarrekeningen 2019–2024), de Federale Pensioendienst (PensionStat.be), OESO Family Database, OESO Working Paper nr. 299, Agentschap Opgroeien, INSEE (Frankrijk), Statistics Canada, het Grattan Institute (Australië), het Institute for Family Studies, Duke University (2023/2025), en best practices uit Canada, Australië, Frankrijk, Zweden, Denemarken en Finland.