Kernprincipe: eenvoud, eerlijkheid en eigendomsopbouw. Belastingen moeten werk belonen, wonen betaalbaar maken en spaarders niet bestraffen.
België heeft de hoogste belastingdruk op arbeid in de OESO (52,5% in 2025), een vastgoedwaardering uit 1975, een huwelijksquotiënt dat vrouwen thuis houdt, en een pensioenspaarsysteem waar banken en verzekeraars meer aan verdienen dan de spaarder. Tegelijk kost het bedrijfswagenregime de overheid €4,7 miljard per jaar (2025), oplopend tot €5,2 miljard in 2028, terwijl jonge gezinnen geen huis kunnen kopen. HART wil een belastingsysteem dat werken beloont, wonen ondersteunt en sparen eerlijk maakt. Niet door meer te belasten, maar door anders te belasten: bredere basis, lagere tarieven, minder uitzonderingen.
De feiten
| Indicator | België | Context |
|---|---|---|
| Belastingdruk op arbeid | 52,5% tax wedge (alleenstaande, gemiddeld loon, 2025) | Hoogste in de OESO (gem.: 35,1%) |
| Bedrijfswagens | ~580.000 salariswagens (eind 2025); ongeveer 14% van de werknemers | Ongeveer 57% van de nieuwe personenwagens wordt ingeschreven door zakelijke klanten (2025). Fiscale en parafiscale kost: €4,7 mld (2025), oplopend tot €5,2 mld (2028) |
| Mobiliteitsbudget | 18.516 gebruikers (2024); wie het gebruikt, besteedt het vooral aan wonen (huur/hypotheek) | Minder dan 0,5% van alle werknemers en minder dan 3% van wie een bedrijfswagen of mobiliteitsbudget heeft |
| Kadastraal inkomen | Gebaseerd op huurwaarden van 1 januari 1975 | Laatste algemene perequatie in 1980. Sinds 1991 alleen geïndexeerd |
| Huwelijksquotiënt | Max. €13.460 toe te rekenen inkomen (AJ 2026) | Belastingvoordeel tot ~€6.000-6.500/jaar per gezin; kost ongeveer €0,5 mld/jaar (2023) |
| Bijverdienen gepensioneerden | Onbeperkt vanaf de wettelijke pensioenleeftijd of na 45 loopbaanjaren | Vervroegd gepensioneerden: max. €10.117/jaar als werknemer zonder kinderlast (2025), anders pensioenverlies |
| Belastingcompetitiviteit | 30e van 38 OESO-landen (Tax Foundation ITCI 2025) | Estland: 1e (twaalfde jaar op rij) |
| Aanvullend pensioen: uitkering | 99% wordt als kapitaal uitbetaald: gemiddeld €47.346 in een bedrijfspensioenstelsel, €3.946 in een sectorstelsel (2023) | Gemiddelde opgebouwde reserve: mannen €30.173, vrouwen €18.171 (1 januari 2025) |
| Beurstaks (TOB) | 0,35% aandelen; 0,12% obligaties; 1,32% kapitalisatiefondsen | België heeft al een financiële transactietaks, maar niet geharmoniseerd met de EU |
Bronnen: OESO Taxing Wages 2026; Federaal Planbureau (Working Paper, juni 2025); FOD Mobiliteit (2025); Febiac; FOD Financiën (Inventaris van de fiscale uitgaven); FSMA (tweejaarlijks verslag aanvullend pensioen 2025, kostenonderzoek april 2024); PensionStat; Federale Pensioendienst; Tax Foundation ITCI 2025.
1. Woonbudget in plaats van bedrijfswagen
Standpunt: Het bedrijfswagenregime kost de overheid €4,7 miljard per jaar (2025), oplopend tot €5,2 miljard in 2028 (Federaal Planbureau). HART wil het mobiliteitsbudget openstellen voor alle werknemers, niet alleen voor wie recht heeft op een bedrijfswagen, en het woondeel beperken tot de eerste eigen woning. Budgetneutraal: geen nieuwe uitgave, maar een herallocatie van autosubsidie naar woonsubsidie. Zie het hoofdstuk Wonen voor de volledige uitwerking van het woonbudget, de aanbodzijdige maatregelen en de internationale vergelijkingen (Singapore CPF, mobiliteitsbudget pijler 2).
2. Kadastraal inkomen moderniseren
Standpunt: Het kadastraal inkomen (KI) is gebaseerd op geschatte huurwaarden van 1 januari 1975. HART wil een geleidelijke overgang naar marktconforme vastgoedwaardering (naar Nederlands WOZ-model), met bescherming van eigenaar-bewoners van één woning en financiële compensatie voor gemeenten. Zie het hoofdstuk Wonen voor de volledige uitwerking: KI-modernisering, progressieve vastgoedbelasting op basis van het aantal eigendommen (KI = 0 op de eerste bescheiden woning, vermenigvuldiging bij meervoudig bezit), en de koppeling met de bouwshift en verdichting.
3. Huwelijksquotiënt afschaffen: belastingen verlagen voor iedereen
Standpunt: Het huwelijksquotiënt laat toe dat een deel van het beroepsinkomen wordt toegerekend aan de niet- of laagverdienende partner, tot die partner 30% van het gezamenlijke beroepsinkomen heeft, met een maximum van €13.460 (AJ 2026). Het voordeel kan oplopen tot ~€6.000-6.500 per jaar (inclusief gemeentebelasting, bij het 50%-marginaaltarief). Het kost de overheid ongeveer €0,5 miljard per jaar (2023). Het systeem beloont eenverdienersgezinnen en bestraft tweeverdieners en alleenstaanden: precies het omgekeerde van wat de arbeidsmarkt nodig heeft.
Wat het onderzoek zegt:
- OESO Taxing Wages 2026: de belastingwig voor een alleenstaande in België is 52,5%, maar daalt naar 36,9% voor een eenverdienersgezin met 2 kinderen (2025): een verschil van 15,6 procentpunt. Tweede verdieners, meestal vrouwen, worden fiscaal afgestraft als ze beginnen werken.
- IMF (2021, Selected Issues, Country Report 21/210): het huwelijksquotiënt ontmoedigt de tewerkstelling van vrouwen; het IMF adviseert het af te bouwen.
- OESO Working Paper (Social, Employment & Migration nr. 76): de analyse van de fiscale behandeling van koppels in Europa toont dat een lagere belasting voor tweede verdieners in België de arbeidsparticipatie zou verhogen.
- Europees Parlement (onderzoeksdienst EPRS, 2025): gezamenlijke belastingstelsels kunnen leiden tot een "disproportioneel hogere marginale belastingdruk voor de tweede verdiener, die vaak een vrouw is."
Wat de wet al voorziet: de wet van 15 juli 2026 bouwt het huwelijksquotiënt af vanaf aanslagjaar 2027. Voor niet-gepensioneerden wordt het maximum gehalveerd tegen aanslagjaar 2030. Voor gepensioneerde koppels loopt de afbouw over ongeveer twintig jaar. Dezelfde wet trekt de belastingvrije som op naar €14.450 (AJ 2030) en €15.600 (AJ 2031).
Wat we gaan doen:
- Het huwelijksquotiënt volledig afschaffen binnen één legislatuur voor niet-gepensioneerden, met een overgangsperiode van maximaal 5 jaar.
- Compensatie via de nieuwe tariefstructuur: de vrijgekomen middelen vloeien terug naar alle belastingplichtigen via de hogere belastingvrije som en de verbrede lagere schijven (zie hoofdstuk Belastingen §1). Alleenstaanden, tweeverdieners en eenoudergezinnen profiteren het meest.
- Gepensioneerden beschermen via een overgangsregeling van 10 jaar (sneller dan de afbouw over ongeveer twintig jaar in de wet van 15 juli 2026). Gepensioneerde koppels waar één partner weinig eigen pensioen heeft, krijgen een specifieke pensioentoelage die het inkomstenverlies compenseert: niet via de belastingcode, maar via de pensioenwetgeving.
- Kinderlast apart behandelen. De kosten van kinderen zijn reëel en verdienen fiscale erkenning, maar via de bestaande verhoogde belastingvrije som voor kinderen ten laste, niet via het huwelijksquotiënt.
Wat HART niet beloont: thuisblijven. Wie kiest om niet te werken heeft dat recht, maar de belastingbetaler hoeft die keuze niet te subsidiëren. HART beloont arbeid, niet burgerlijke staat.
Bewezen in: Zweden: individuele belasting sinds 1971. Onderzoek in International Tax and Public Finance (2014) toont dat de tewerkstelling van vrouwen gehuwd met hoge inkomens significant steeg na de hervorming, vooral bij gezinnen met kinderen. Alle Noordse landen en het Verenigd Koninkrijk hanteren individuele belasting. In Duitsland staat het Ehegattensplitting, dat nog verder gaat dan het Belgische systeem, onder groeiende druk.
4. Financiële transactietaks optimaliseren
Standpunt: België heeft al een financiële transactietaks: de beurstaks (TOB), die al meer dan een eeuw bestaat. Maar het systeem is onnodig complex (drie tarieven: 0,35% voor aandelen, 0,12% voor obligaties, 1,32% voor kapitalisatiefondsen) en niet gecoördineerd met buurlanden. De EU-brede FTT kwam na 14 jaar onderhandelen niet van de grond: in oktober 2025 kondigde de Europese Commissie in haar werkprogramma 2026 de intrekking van het voorstel aan. België moet zijn eigen taks moderniseren.
Wat we gaan doen:
- De beurstaks vereenvoudigen tot één tarief op alle financiële transacties, naar model van de Britse stamp duty op aandelen (0,5% op aankoop). Het VK haalt hiermee £4,32 miljard per jaar op (stamp duty en SDRT op aandelen samen, 2024-25, HMRC). De Britse aandelentaks bestaat als stamp duty sinds 1694; de elektronische SDRT werd ingevoerd in 1986.
- Het issuance-principe toepassen: de taks volgt het bedrijf (Belgisch genoteerd = Belgische taks), niet de handelsplaats. Dit voorkomt de kapitaalvlucht die Zweden fataal werd in 1984-1991, toen 60% van het handelsvolume in de meest verhandelde aandelen naar Londen verhuisde.
- Market maker-vrijstellingen behouden om liquiditeit te garanderen.
- De Europese weg blijven bewandelen voor verdere harmonisatie, maar niet langer wachten op een EU-breed akkoord dat er na 14 jaar niet gekomen is.
Les uit het buitenland: de Zweedse transactietaks (1984-1991) is het schoolvoorbeeld van hoe het niet moet: te hoog tarief (1% per zijde), geen issuance-principe, geen market maker-vrijstelling. De obligatiehandel daalde 85% in de eerste week na invoering. De taks werd afgeschaft in 1991. Frankrijk heft sinds 2012 een TTF op aandelen van grote beursgenoteerde bedrijven; het tarief werd in april 2025 verhoogd naar 0,4%.
Bewezen in: Verenigd Koninkrijk: stamp duty/SDRT van 0,5% op aandelenaankopen, £4,32 mld opbrengst (2024-25). Frankrijk: TTF van 0,4% (sinds april 2025). Zweden, het anti-voorbeeld: 60% van het handelsvolume in de meest verhandelde aandelen vluchtte naar Londen, de obligatiehandel daalde 85% in één week. Afgeschaft in 1991.
5. Gepensioneerden kunnen bijverdienen zonder straf
Standpunt: Gepensioneerden die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt (66 jaar sinds 2025, 67 vanaf 2030) of een loopbaan van 45 jaar hebben, mogen onbeperkt bijverdienen. Maar vervroegd gepensioneerden zonder 45 loopbaanjaren zitten vast aan een inkomenslimiet van €10.117/jaar als werknemer zonder personen ten laste (2025). Eén euro te veel, en het pensioen wordt proportioneel gekort; bij een overschrijding met 100% of meer wordt het voor het hele kalenderjaar geschorst. Een bijkomende grens van €7.876/jaar voor inkomsten uit flexi-jobs van vervroegd gepensioneerden (sinds 2025) maakt het systeem nog complexer. De OESO wijst erop (Pensions at a Glance 2023) dat in België vervroegd gepensioneerden zonder 45 loopbaanjaren een inkomenstoets ondergaan die de combinatie van pensioen en werk beperkt.
Wat we gaan doen:
- Alle inkomensgrenzen voor bijverdienen afschaffen, ook voor vervroegd gepensioneerden. Wie werkt, draagt bij via belastingen en RSZ. Dat is voldoende.
- De pensioenval aanpakken door het pensioenverlies bij bijverdienen te schrappen: elke extra verdiende euro wordt normaal belast, maar het pensioen wordt niet gekort. Geen cliff-effecten meer.
- Flexi-jobs voor gepensioneerden behouden, maar de bijkomende inkomensgrens van €7.876/jaar voor vervroegd gepensioneerden afschaffen. Die maakt het systeem juist complexer.
Bewezen in: Duitsland: de Hinzuverdienstgrenze voor vervroegd ouderdomspensioen is sinds 1 januari 2023 volledig afgeschaft; sinds 1 januari 2026 geldt bovendien een belastingvrijstelling (Aktivrente) tot €2.000/maand voor werknemers die na de wettelijke pensioenleeftijd blijven werken. Nederland: geen enkele inkomensbeperking bij de AOW (staatspensioen). Verenigd Koninkrijk: volledig vrij bijverdienen naast het staatspensioen. Zweden: gepensioneerden kunnen 25%, 50%, 75% of 100% pensioen trekken naast onbeperkt werk, met een verhoogde werkbonus voor 66-plussers.
6. Fiscale vereenvoudiging: bredere basis, lagere tarieven
Standpunt: België staat op de 30e plaats van 38 OESO-landen in de Tax Foundation's International Tax Competitiveness Index (2025). Estland staat er twaalf edities op rij op nummer 1, met een eenvoudig systeem dat fraude bemoeilijkt en burgers ontzorgt. De Belgische personenbelasting kent vier schijven (25%, 40%, 45%, 50%), waarbij het toptarief van 50% ingaat vanaf €49.840 (inkomensjaar 2025). De werkelijke complexiteit zit in de honderden aftrekposten, belastingverminderingen en uitzonderingsregelingen die het systeem ondoorzichtig maken. De Hoge Raad van Financiën stelde in 2020 vast dat de uitzonderingsstelsels "geen coherent geheel" vormen; een lid van de Raad vergeleek de personenbelasting met "een emmer met vijftig gaten".
Wat we gaan doen:
- Belastbare basis verbreden, tarieven herstructureren. Het principe: elke uitzondering die wordt geschrapt, financiert een herijking van de tarieven. Enkel aftrekposten waarvan het doel "bewezen en aanvaard" is, blijven bestaan: sturingsinstrumenten ("de vervuiler betaalt") en maatregelen die passen binnen de economische realiteit.
- De tariefstructuur fundamenteel herzien. HART stapt af van de vier schijven (25/40/45/50%) en kiest voor drie heldere schijven met verlegde drempels: 25% tot €16.000, 40% tot €27.000, en 50% boven €27.000, het federale deel en het referentietarief van de deelstaten samen; elke deelstaat kiest zijn tarief binnen een band (art. 53 HART-grondwet). De middenklasse krijgt ruimte en iedereen gaat er netto op vooruit, ook de top. Deze structuur is getest met EUROMOD (netto kost €8,42 mld gecombineerd met de Groeipakket-verhoging, tegenover de belastingregels van 2025; Gini −0,66 pp, AROP −0,91 pp). Zie hoofdstuk Belastingen §1 voor de volledige EUROMOD-analyse en de decieltabel, en §6 voor de financiering.
- De belastingvrije som verhogen naar €16.000 per jaar, zodat die exact samenvalt met de bovengrens van de laagste schijf. De eerste €16.000 van elk inkomen is dus volledig vrijgesteld van belasting. Deze verhoging zit mee in de EUROMOD-getoetste structuur en vervangt het traject van de wet van 15 juli 2026, die de belastingvrije som tegen inkomstenjaar 2030 optrekt tot €15.600. Zo betalen lage lonen niets meer en wordt de middenklasse niet vergeten.
- Digitale aangifte naar Estisch model. In Estland wordt 98% van de aangiften elektronisch ingediend (2026); de meeste zijn vooraf ingevuld en in enkele minuten afgerond. Het Belgische Tax-on-web is een goed begin, maar HART wil naar een systeem waarbij 95% of meer van de belastingplichtigen de vooraf ingevulde aangifte zonder manuele ingreep kan bevestigen, zonder hulp van een boekhouder.
- Fiscale niches systematisch evalueren. Elke vijf jaar wordt de volledige Inventaris van de fiscale uitgaven doorgelicht op effectiviteit. Niches die hun doel niet bereiken, worden geschrapt.
- Het duaal belastingmodel onderzoeken als structurele hervorming op middellange termijn. Het Noordse model belast alle kapitaalinkomen aan een vlak tarief (~25-30%) en behoudt progressieve tarieven op arbeid. Dit vermindert kapitaalvlucht en maakt het systeem structureel eenvoudiger.
Bewezen in: Estland: vlaktaks van 22% (2025 en 2026), geen belasting op ingehouden bedrijfswinsten, minimale aftrekposten, 98% elektronische aangifte. Nr. 1 in de fiscale competitiviteitsindex van de Tax Foundation sinds 2014. Belastingvrije som: €700/maand (uniform, sinds 2026). Nieuw-Zeeland: btw (GST) met bijna geen uitzonderingen (15%), ingevoerd in 1986 samen met diepe tariefverlagingen; het land haalt een van de hoogste btw-opbrengstratio's van de OESO. Denemarken: breed belastbaar inkomen en hoge compliance. De Noordse landen: duaal belastingmodel (arbeid progressief, kapitaal vlak) sinds 1987-1993.
7. Pensioensparen hervormen: één platform, lage kosten, vrije keuze
Standpunt: België heeft een lappendeken aan pensioenspaarproducten: groepsverzekering (2e pijler), VAPW, VAPZ, POZ, pensioensparen, langetermijnsparen. Elk met eigen regels, limieten en fiscale behandeling. Een uitkering uit een bedrijfspensioenstelsel bedraagt gemiddeld €47.346, uit een sectorstelsel amper €3.946 (FSMA, 2023). 99% wordt als eenmalig kapitaal uitbetaald, niet als rente. De genderkloof is groot: mannen hebben gemiddeld €30.173 opgebouwd, vrouwen €18.171 (PensionStat, 1 januari 2025). Het FSMA-kostenonderzoek (april 2024) stelt vast dat de pensioenwetgeving, op enkele specifieke kosten na, geen algemene kostenbeperking kent. De meeste tak 21-contracten in sectorstelsels garandeerden eind 2023 één procent of minder, terwijl brede aandelenindexen op lange termijn gemiddeld 7-10% per jaar halen. De werknemer heeft doorgaans geen keuze.
De bestaande structuur:
- 2e pijler (groepsverzekering/pensioenfonds): 4,52 mln werknemers en zelfstandigen aangesloten bij een aanvullend pensioen (1 januari 2025); 80% van de werknemers bouwt actief een aanvullend pensioen op. In bedrijfspensioenstelsels beheren verzekeraars 75% van de reserves, en daarvan zit 94% in tak 21 (FSMA, 1 januari 2024). WAP-minimumrendement: 2,50% sinds 1 januari 2025.
- VAPW (vrij aanvullend pensioen werknemers): sinds 2019, max. 3% van het referentieloon minus de bestaande 2e pijler, 30% belastingvermindering. Lage participatie.
- 3e pijler (pensioensparen): max. €1.050 (30% belastingvermindering) of €1.350 (25%). Langetermijnsparen: max. €2.450 (30% belastingvermindering). De indexering van beide bedragen is bevroren tot en met aanslagjaar 2030.
- Zelfstandigen: VAPZ (max. €4.000/jaar in 2025, tot 64% fiscaal recupereerbaar) en POZ (30% belastingvermindering, 10% eindbelasting).
Wat we gaan doen:
- Eén digitaal pensioenspaarplatform oprichten, beheerd door een nieuw publiek pensioenfonds naar model van het Zweedse PPM en het Britse NEST. Het platform consolideert de 2e, 3e en 4e pijler op één plek: één login, één overzicht, één keuze-architectuur.
- De werknemer kiest zelf waarin wordt belegd. Niet de werkgever, niet de verzekeraar. Het platform biedt een beperkt aantal doorgelichte, laaggeprijsde fondsen aan (naar model van Zweden's Fondtorgsnämnden). Wie niet kiest, zit in een sterk default lifecycle-fonds (naar model van AP7 Såfa: ~0,05% beheerskosten, een fractie van wat Belgische verzekeraars aanrekenen).
- Wettelijke kostenlimieten invoeren. De FSMA stelt vast dat er geen algemeen kostenplafond bestaat. HART wil een wettelijk plafond op de jaarlijkse kosten van het platform: 0,40% bij de lancering, dalend naar 0,25% binnen vijf jaar en 0,15% binnen tien jaar (zie hoofdstuk Pensioen). Ter vergelijking: het Britse NEST rekent 0,3% per jaar, plus 1,8% op elke inleg.
- VAPW, VAPZ, APZNP, POZ, pensioensparen en langetermijnsparen vereenvoudigen tot twee fiscale kaders: één voor werknemers en één voor zelfstandigen, beide via hetzelfde platform.
- De WAP-rendementsgarantie hervormen. Het bestaande systeem, waarbij de werkgever 2,50% moet garanderen, ook in tak 23-fondsen, ontmoedigt belegging in fondsen en drijft de facto naar tak 21. HART wil de garantie vervangen door een collectieve vangnetgarantie op platformniveau, gefinancierd uit een klein percentage van de reserves, zodat werknemers kunnen kiezen voor fondsen zonder dat hun werkgever het beleggingsrisico draagt.
- Transparantie als recht. Elk jaar ontvangt elke aangeslotene een gestandaardiseerd kostenoverzicht: inleg, kosten, rendement, vergelijking met het default-fonds. Wie consistent meer betaalt dan het platformgemiddelde, krijgt een actieve melding.
Wat HART niet wil: vrije opname van pensioenkapitaal vóór de pensioenleeftijd. Estland liet dit toe in 2021; ongeveer een vijfde van de deelnemers haalde zijn tegoed meteen op. Een jaar later was tot 30% van dat geld gebruikt om consumentenkrediet af te lossen en 15% uitgegeven aan consumptie (Eesti Pank, 2025). Wie uitstapt, krijgt volgens de Estse centrale bank een tot 30% lager pensioen. Een pensioenplatform is voor pensioen, niet voor impulsaankopen.
Bewezen in: Zweden: in het PPM-systeem kiezen werknemers uit doorgelichte fondsen voor 2,5% van hun pensioeninkomen. Het default-fonds AP7 Såfa beheert activa voor ~6 miljoen Zweden aan ~0,05% kosten, een fractie van wat Belgische verzekeraars aanrekenen. Na het Falcon Funds-schandaal werd het fondsenaanbod fors ingeperkt en een onafhankelijke selectie-instelling (Fondtorgsnämnden) opgericht. Verenigd Koninkrijk: NEST telt 13,8 mln leden en £49,8 mld activa (maart 2025), rekent 0,3% per jaar plus 1,8% op elke inleg, en haalde 7,2% geannualiseerd rendement over 10 jaar in zijn standaardfonds voor wie in 2045 met pensioen gaat. Bij de automatische inschrijving stapte slechts ~8% uit (verwacht was 28%). Denemarken: PensionDanmark, een van de arbeidsmarktpensioenfondsen die via cao's het overgrote deel van de werknemers dekken. Australië: YourSuper-vergelijkingstool (ATO), met rapportage van kosten en rendement, een verplichte jaarlijkse prestatietoets en eenvoudig van fonds wisselen.
Samenvatting: wat HART gaat doen
Woonbudget in plaats van bedrijfswagen. Het mobiliteitsbudget openstellen voor alle werknemers, beperkt tot de eerste eigen woning. Budgetneutraal: herallocatie van autosubsidie naar woonsubsidie. Zie hoofdstuk Wonen. Termijn: 1 tot 2 jaar.
Kadastraal inkomen moderniseren. Overgang naar marktconforme waarderingen (WOZ-model), met bescherming van eigenaar-bewoners en compensatie voor gemeenten. Progressieve vastgoedbelasting: KI = 0 op de eerste bescheiden woning, vermenigvuldiging bij meervoudig bezit. Zie hoofdstuk Wonen. Termijn: herschatting binnen één legislatuur, met een ingroeiperiode van 10 jaar voor bestaande eigenaar-bewoners.
Huwelijksquotiënt afschaffen. Het huwelijksquotiënt beloont eenverdienersgezinnen met tot €6.000-6.500/jaar en bestraft alleenstaanden en tweeverdieners. Het IMF, de OESO en de onderzoeksdienst van het Europees Parlement wijzen op de ontmoedigende effecten voor tweede verdieners; het IMF adviseert afbouw. Zweden schafte gezamenlijke belasting af in 1971, waarna de tewerkstelling van gehuwde vrouwen steeg. HART schrapt het huwelijksquotiënt volledig voor niet-gepensioneerden binnen één legislatuur en verlaagt de belastingen voor iedereen via een hogere belastingvrije som en lagere tarieven. Gepensioneerden krijgen een overgangsperiode van 10 jaar met compensatie via de pensioenwetgeving. Termijn: 3 tot 5 jaar.
Beurstaks moderniseren. België heeft al een financiële transactietaks, met drie verschillende tarieven: onnodig complex. Voor de EU-brede transactietaks kondigde de Europese Commissie na 14 jaar onderhandelen de intrekking aan (oktober 2025). HART vereenvoudigt de beurstaks tot één tarief, met het issuance-principe (taks volgt het bedrijf, niet de handelsplaats) en market maker-vrijstellingen. Het Britse model (0,5%, £4,32 mld/jaar gecombineerd) toont dat een goed ontworpen FTT stabiel inkomsten genereert zonder kapitaalvlucht. Termijn: 1 tot 2 jaar.
Gepensioneerden vrij laten bijverdienen. Vervroegd gepensioneerden zitten vast aan een inkomenslimiet van €10.117/jaar (2025). Eén euro te veel en het pensioen wordt gekort of volledig geschorst. Ook de OESO wijst op die beperking. HART schrapt alle inkomensgrenzen: wie werkt, betaalt belasting en RSZ, en dat is voldoende bijdrage. Duitsland schafte de Hinzuverdienstgrenze af in 2023; Nederland en het VK kennen helemaal geen beperkingen. Termijn: 1 jaar.
Fiscale vereenvoudiging. België staat 30e van 38 OESO-landen in fiscale competitiviteit (Tax Foundation, 2025). Een lid van de Hoge Raad van Financiën beschreef de personenbelasting als "een emmer met vijftig gaten". HART wil een bredere belastbare basis, een herstructureerde tariefladder en systematische evaluatie van alle fiscale niches. De personenbelasting krijgt drie heldere schijven (25% tot €16k, 40% tot €27k, 50% daarboven, bij het referentietarief van de deelstaten) en een belastingvrije som van €16.000 die samenvalt met de bovengrens van de laagste schijf. Getoetst met EUROMOD (gecombineerd met de Groeipakket-verhoging, tegenover de belastingregels van 2025): iedereen wint, de middenklasse wint het meest, het armoederisico daalt 0,91 procentpunt, voor een netto kost van €8,42 miljard (zie hoofdstuk Belastingen §1 en §6). Digitale aangifte naar Estisch model: 95% of meer bevestigt de vooraf ingevulde aangifte zonder manuele ingreep. Op middellange termijn onderzoekt HART het Noordse duale belastingmodel als structurele hervorming. Termijn: 3 tot 5 jaar.
Pensioensparen hervormen via één platform. Een uitkering uit een bedrijfspensioenstelsel bedraagt gemiddeld €47.346, uit een sectorstelsel amper €3.946 (FSMA, 2023); vrouwen bouwen gemiddeld 40% minder op dan mannen. 99% wordt als eenmalig kapitaal uitbetaald. Er is geen algemeen wettelijk kostenplafond. De meeste tak 21-contracten in sectorstelsels garandeerden eind 2023 één procent of minder. HART richt één digitaal pensioenspaarplatform op, beheerd door een publiek pensioenfonds, met doorgelichte laaggeprijsde fondsen (kostenplafond van 0,40%, dalend naar 0,15% binnen tien jaar), een sterk default lifecycle-fonds, en volledige keuzevrijheid voor de werknemer. VAPW, VAPZ, POZ, pensioensparen en langetermijnsparen worden vereenvoudigd tot twee fiscale kaders op hetzelfde platform. De WAP-rendementsgarantie wordt hervormd naar een collectief vangnet, zodat werknemers voor fondsen kunnen kiezen zonder hun werkgever het risico op te zadelen. Het Zweedse PPM (~0,05% kosten), het Britse NEST (13,8 mln leden, 7,2% rendement) en het Deense PensionDanmark bewijzen dat het kan. Estlands experiment met vrije opname is het anti-voorbeeld: tot 30% lagere pensioenen voor wie uitstapt. Termijn: 3 tot 5 jaar.
België belast arbeid het zwaarst van alle OESO-landen, waardeert vastgoed op basis van een fictie uit 1975, bestraft alleenstaanden via het huwelijksquotiënt en laat verzekeraars graaien aan het pensioen van de gewone burger. Andere landen bewijzen dat het eerlijker, eenvoudiger en doeltreffender kan. HART kiest voor een belastingsysteem dat werk beloont, wonen ondersteunt en elke gespaarde euro maximaal laat renderen. Transparant, digitaal, en zonder tussenpersonen die meer verdienen dan de spaarder.
Fiscale codificatie als antwoord op Belgische belastingchaos
België heeft een van de meest complexe belastingstelsels ter wereld, en die complexiteit kost de samenleving jaarlijks miljarden euro's. Het Rekenhof, de Raad van State, het IMF en de Hoge Raad van Financiën stellen dit onafhankelijk van elkaar vast. De administratieve lasten voor ondernemingen en zelfstandigen bedragen volgens het Federaal Planbureau ongeveer €6 miljard per jaar (2022). Federaal Planbureau België heeft de hoogste belastingwig op arbeid van alle OESO-landen, OESO en de FOD Financiën controleerde de twee grootste vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, samen goed voor €2,3 miljard (2017), een tijdlang niet, mede door de complexiteit van de wetgeving. Rekenhof Internationale vergelijkingen tonen aan dat het anders kan: Estland scoort twaalf edities op rij het hoogst op de International Tax Competitiveness Index van de Tax Foundation, Tax Foundation Nieuw-Zeeland bouwde een robuust consultatieproces dat al dertig jaar standhoudt, en Zweden bewees dat een ingrijpende "big bang"-hervorming politiek haalbaar is. University of Chicago Press Dit rapport analyseert de Belgische probleemstelling, vergelijkt internationale best practices, en formuleert concrete beleidsvoorstellen voor een fundamentele verbetering van de wetgevingskwaliteit.
Het Rekenhof documenteert een systeem dat zichzelf ondermijnt
Het Belgische Rekenhof heeft in opeenvolgende rapporten een vernietigend beeld geschetst van een fiscaal systeem dat zo complex is geworden dat het zijn eigen doeltreffendheid ondermijnt. De bevindingen zijn niet abstract. Ze vertalen zich in concrete misgelopen inkomsten en falend toezicht.
Het meest schrijnende voorbeeld betreft de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Er bestaan tien categorieën van dergelijke vrijstellingen (nacht- en ploegenarbeid, O&O, overuren, sportbeoefenaars), die explosief groeiden van €198 miljoen in 2005 naar €2,9 miljard in 2017: bijna een vervijftienvoudiging in twaalf jaar. Rekenhof Het Rekenhof stelde vast dat er geen voorafgaande impactstudies aan de invoering voorafgingen en geen evaluaties werden uitgevoerd om het verband tussen de belastingvoordelen en de beleidsdoelstellingen aan te tonen. De wetgeving is volgens het Rekenhof "ingewikkeld", "evolueert regelmatig" en "bevat onduidelijkheden". Het directe gevolg: de vrijstelling voor nacht- en ploegenarbeid (€1,44 miljard) werd in 2017 en 2018 niet gecontroleerd, die voor O&O (€911 miljoen) in 2018 evenmin, door interpretatieproblemen en onenigheid over de wetgeving. Rekenhof In 2023 bedroegen deze vrijstellingen al €4,4 miljard. Kamer, Inventaris van de fiscale uitgaven
Bij de controle van kmo's in de vennootschapsbelasting documenteerde het Rekenhof dat het aantal controleurs van de kmo-centra tussen 2016 en 2021 met 21% daalde, veel sneller dan het personeel van de FOD Financiën in het algemeen, en dat het aantal gecontroleerde aangiften tussen 2017 en 2020 afnam. Het Rekenhof beveelt aan de beslissing om vertrekkende controleurs één-op-één te vervangen ook echt toe te passen. Rekenhof
Over de in 2021 ingevoerde jaarlijkse taks op effectenrekeningen (0,15% boven €1 miljoen) FOD Financiën rapporteerde het Rekenhof in 2024 dat de opbrengst daalde van €470 miljoen (eerste referentieperiode, februari tot september 2021) over €395 miljoen (tweede referentieperiode, tot september 2022) naar €362 miljoen (derde referentieperiode, tot september 2023, voorlopig): een daling van meer dan 20%, al telde de eerste periode geen volledig jaar. De oorzaak: ontwijkingsmechanismen zoals de omzetting naar aandelen op naam en de splitsing van rekeningen, Rekenhof nadat het Grondwettelijk Hof de specifieke antimisbruikbepalingen tegen precies die constructies had vernietigd (arrest 138/2022). Grondwettelijk Hof
De Raad van State en het WIB92 illustreren structureel falen
De Raad van State vormt in theorie de laatste verdedigingslinie voor wetgevingskwaliteit, maar in de praktijk is die linie doorbroken. Een staatsraad waarschuwde in 2019 publiek dat er onvoldoende magistraten zijn om de vloed aan wetgeving te volgen: het aantal adviesaanvragen is vervijfvoudigd sinds de jaren tachtig, terwijl het aantal staatsraden in de afdeling wetgeving niet evenredig meegroeide. Het resultaat is dat de Raad soms geen of slechts een oppervlakkig advies geeft. De kwaliteit van de wetgeving noemde hij "vaak ondermaats en zichtbaar het resultaat van haastwerk". De Standaard, 19 maart 2019, via Wikipedia
Het probleem wordt verergerd door het systematische gebruik van hoogdringendheid voor fiscale wetgeving. Belastingmaatregelen worden routinematig gebundeld in programmawetten die onder grote tijdsdruk aan het einde van het jaar worden aangenomen. Bij hoogdringendheid beperkt de Raad van State zich tot de bevoegdheid, de rechtsgrond en de vormvereisten; een inhoudelijke kwaliteitsbeoordeling vindt niet plaats. Wikipedia
Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB92) is het levende bewijs van dit structureel falen. De officiële consolidatie van het wetboek op het portaal van ejustice ligt sinds 2002 stil; er staat letterlijk: "Het bijwerken van deze tekst is vanaf 2002 uitgesteld." Ejustice Gebruikers worden doorverwezen naar de FisconetPlus-databank. Het WIB92 wordt elk jaar door een reeks afzonderlijke wetten en koninklijke besluiten gewijzigd. Het aantal codes op het aangifteformulier personenbelasting is in drie decennia ongeveer verdrievoudigd Jubel: van circa 260 naar meer dan 800 codes. Pas in aanslagjaar 2026 zakte het formulier voor een Vlaamse belastingplichtige weer onder de 800 codes (59 codes minder, naar 780), door de afschaffing van verschillende federale en Vlaamse aftrekken. VRT NWS
De Hoge Raad van Financiën stelde in zijn advies van mei 2020 vast dat het hoogste tarief van de personenbelasting toeslaat bij een veel lager inkomensniveau dan in de buurlanden, en dat de verschillende uitzonderingsstelsels geen coherent geheel vormen. Hoge Raad van Financiën, rapport juli 2021 Veelzeggend: de Afdeling Fiscaliteit kwam niet tot één eensgezind advies, maar tot een meerderheids- en een minderheidsstandpunt. Hoge Raad van Financiën
Compliance kost België miljarden en ondermijnt het draagvlak
De economische impact van fiscale complexiteit is meetbaar en substantieel. Het Federaal Planbureau raamde in februari 2024 de administratieve lasten voor ondernemingen en zelfstandigen op €6 miljard in 2022, 21% meer dan in 2020 (in procent van het bbp stabiel op 1,08%). De fiscale regelgeving veroorzaakt, samen met de tewerkstellingsregelgeving, het grootste deel van die kosten. Federaal Planbureau
België heeft volgens de OESO de hoogste belastingwig op arbeid van alle OESO-landen: 52,5% voor een alleenstaande met een gemiddeld loon (2025). Het verschil tussen wat werkgevers betalen en wat werknemers netto ontvangen is nergens groter. OESO De totale belasting- en bijdragevoet voor ondernemingen bedroeg volgens de laatste Doing Business-meting (2020) 55,4% van de commerciële winst, een van de hoogste in de OESO. Het IMF stelde in 2021 dat het Belgische belastingsysteem zelfs voor ervaren experts ingewikkeld is. IMF eLibrary Het ITAA (Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants) meldde in 2023 dat 85% van de leden privépersonen helpt bij het invullen van hun belastingaangifte: een direct gevolg van de complexiteit. ITAAWolterskluwer 94% van de ITAA-leden vindt onvoldoende talent, mede door de toenemende complexiteit van het beroep. ITAA
Een Belgisch belastingadvieskantoor vatte het samen: "De alleskunner in de fiscaliteit is een uitstervend ras. Je hebt specialisten nodig in vennootschapsbelasting, personenbelasting, internationaal, global mobility, innovatie, transfer pricing, btw óf vermogensplanning." Belastingadvieskantoor
Estland bewijst dat radicale eenvoud werkt
Estland voerde in 1994 als een van de eerste landen in Europa een vlaktaks in LOC en bouwde een volledig gedigitaliseerd belastingstelsel. Het land staat twaalf edities op rij op de eerste plaats van de International Tax Competitiveness Index van de Tax Foundation. Tax Foundation Het Estse model rust op drie pijlers die elkaar versterken.
Ten eerste is er de structurele eenvoud: een vlaktaks van 22% op persoonlijk inkomen en een belastingvrije som van €8.400 per jaar (2026), Estse belastingdienst en, als meest onderscheidende element, 0% vennootschapsbelasting op niet-uitgekeerde winsten: belasting wordt pas geheven wanneer winst wordt uitgekeerd. Invest in Estonia Er zijn geen successie-, schenk- of vermogensbelastingen. ICAEW De onroerendgoedbelasting geldt uitsluitend op de grondwaarde, niet op gebouwen. Invest in Estonia
Ten tweede is er de digitale infrastructuur. Het e-MTA-platform, gebouwd op de X-Road-gegevensuitwisselingslaag, laat burgers hun belastingaangifte in enkele minuten indienen. European Commission Alle bekende gegevens worden automatisch ingevuld en de belastingplichtige hoeft doorgaans enkel te bevestigen. 98% van de aangiften personenbelasting wordt elektronisch ingediend (2026). Estse belastingdienst Belastingteruggaven worden binnen vijf werkdagen verwerkt. European Commission Het personeelsbestand van de belastingdienst daalde met 36,7% tussen 2003 en 2012 dankzij digitale efficiëntie. European Commission
Ten derde vertalen deze elementen zich in uitzonderlijk lage compliance-kosten: een Estse onderneming besteedde volgens de laatste Doing Business-meting (2020) 50 uur per jaar aan al haar belastingen, waarvan slechts 5 uur aan de vennootschapsbelasting. WereldbankPwC Een Belgische onderneming besteedde er 136 uur aan.
De kanttekeningen bij het Estse model zijn relevant voor België. Het systeem werkt goed in een kleine, digitaal geavanceerde economie, maar de schaalbaarheid naar complexere landen is onzeker. De sociale belasting van 33% ten laste van de werkgever is substantieel. Estse belastingdienst En de OESO Pillar Two (wereldwijde minimumbelasting van 15%) kan het unieke vennootschapsbelastingmodel onder druk zetten.
Van Nieuw-Zeeland tot Zweden: wat structureel werkt
Nieuw-Zeeland ontwikkelde in 1994 het Generic Tax Policy Process (GTPP), ResearchGate een gestructureerd vijffasenproces (strategisch, tactisch, operationeel, wetgevend en implementatie/evaluatie) dat publieke consultatie tot kernprincipe verheft. IRD Tax Policytaxworkinggroup Het GTPP is opmerkelijk omdat het niet wettelijk verankerd is maar al meer dan dertig jaar standhoudt op basis van politiek commitment. ResearchGate Het proces garandeert dat belanghebbenden (bedrijven, belastingadviseurs, academici, het maatschappelijk middenveld) vroegtijdig en structureel betrokken worden bij het ontwerpen van fiscale wetgeving. taxworkinggroup Het resultaat is wetgeving die minder amendering behoeft en breder maatschappelijk draagvlak geniet. Nieuw-Zeeland staat derde op de International Tax Competitiveness Index (2025) Tax Foundation en scoorde eerste op de World Bank Doing Business-ranglijst in 2017. PwC
De Scandinavische dual income tax (DIT), voor het eerst geïmplementeerd tussen 1987 en 1993, Wikipedia biedt een structureel alternatief voor de Belgische benadering van progressieve belasting op alle inkomsten. Het DIT-model belast kapitaalinkomen tegen een uniform vlak tarief (afgestemd op het vennootschapsbelastingtarief) en arbeidsinkomen progressief. Springer Dit elimineert de prikkel tot belastingarbitrage die in België leidt tot de bekende "vervennootschappelijking" Solverius: het fenomeen dat zelfstandigen incorporeren om het verschil tussen het marginale PB-tarief (50%) en het VenB-tarief (25%) te exploiteren.
Zweden voerde in 1990-1991 de meest ingrijpende belastinghervorming door die een geïndustrialiseerd land in de naoorlogse periode heeft gekend. University of Chicago Press Het toptarief op arbeidsinkomen daalde van meer dan 70% naar ongeveer 50%, Wilsonquarterly het vlakke tarief op kapitaalinkomen werd vastgesteld op 30%, en tegelijk werd de belastingbasis massaal verbreed door het schrappen van aftrekposten en belastinguitgaven. Diva-portal Vóór de hervorming was de netto-opbrengst van de kapitaalinkomstenbelasting in Zweden negatief: hoge-inkomensgroepen maakten zo intensief gebruik van aftrekposten dat de belasting per saldo geld kostte. Ku Na de hervorming werd de opbrengst positief en de horizontale gelijkheid verbeterde aanzienlijk. Government.seDiva-portal
De Nederlandse ervaring met de Commissie Van Dijkhuizen (2013) en de reeks "Bouwstenen voor een beter belastingstelsel" (2020) MeijburgEY illustreert het tegenovergestelde: herhaalde, grondige analyse zonder politieke implementatie. De Commissie Van Dijkhuizen adviseerde reductie van vier naar twee schijven in de inkomstenbelasting, afschaffing van talrijke aftrekken, en vereenvoudiging van het toeslagenstelsel. Rbvk De meeste aanbevelingen werden niet uitgevoerd: elke aanbeveling creëerde verliezers, en de coalitiedynamiek maakte integraal hervormen onmogelijk. Het toeslagenstelsel werd niet vereenvoudigd; de complexiteit ervan speelde mee in de Toeslagenaffaire, die in januari 2021 leidde tot het ontslag van het kabinet-Rutte III.
Het Britse OTS en de Franse CGI als waarschuwing
Het Verenigd Koninkrijk richtte in 2010 het Office of Tax Simplification (OTS) op Wikipedia: een orgaan gewijd aan systematische fiscale vereenvoudiging. GOV.UK In twaalf jaar publiceerde het OTS tientallen rapporten, en op zijn advies werden tientallen overbodige belastingfaciliteiten geschrapt. WikipediaUK Parliament Desondanks bleef de Britse fiscale wetgeving groeien. Het OTS werd in 2023 afgeschaft; Wikipedia de Britse minister van Financiën verdedigde dat met het argument dat het orgaan "niet altijd in staat was om de concurrerende, legitieme doelstellingen en prioriteiten voor fiscaal beleid tegen elkaar af te wegen." Tax.org.uk
De les uit het OTS is dubbelzijdig. Enerzijds bewees het dat een onafhankelijk orgaan eerlijkere feedback van belanghebbenden genereert en concrete verbeteringen in belastingadministratie kan realiseren. Tax.org.uk Anderzijds was het OTS structureel zwak: het had geen invloed op het wetgevingsproces zelf, kon alleen de bestaande voorraad aan complexiteit adresseren maar niet de stroom van nieuwe complexiteit tegenhouden, Institute for Government en beschikte over geen formele definitie van "vereenvoudiging". Een opvolger met breder mandaat wordt breed aanbevolen. Tax.org.uk
Frankrijk biedt een nog belangrijkere waarschuwing. De Code Général des Impôts (CGI), gecreëerd in 1950, Wikipedia belichaamt de codificatietraditie: alle belastingregels in één wetboek. Maar ondanks deze codificatie scoort Frankrijk op de allerlaatste plaats van alle 38 OESO-landen op de International Tax Competitiveness Index (45,8 op 100, 2025). Tax Foundation Voor de grootste ondernemingen steeg het vennootschapsbelastingtarief in 2025 tijdelijk tot 36,13%, het hoogste in de OESO. Tax Foundation De artikelnummering is onnavolgbaar geworden (voorbeelden: artikel 199 terdecies-0 AA, artikel 238 bis HZ bis), en een poging tot herziening in 1990 werd door de codificatiecommissie zelf afgewezen wegens de extreme complexiteit van de taak. Wikipedia De conclusie is onvermijdelijk: codificatie alleen is niet voldoende. Zonder beleidsmatige vereenvoudiging is een netjes geordend wetboek slechts een netjes geordende chaos.
Zeven concrete hervormingsvoorstellen voor België
Op basis van de internationale vergelijking en de Belgische probleemanalyse zijn de volgende beleidsvoorstellen het meest kansrijk en onderbouwd.
1. Horizonbepalingen (sunset clauses) voor alle fiscale gunstmaatregelen. In Nederland krijgen nieuwe fiscale regelingen volgens het Toetsingskader fiscale regelingen in beginsel een horizonbepaling, zodat ze vervallen tenzij een evaluatie verlenging rechtvaardigt. Rijksoverheid België kent dit mechanisme niet. Elke fiscale gunstmaatregel, van de innovatieaftrek tot de tax shelter voor audiovisuele producties, zou een wettelijke vervaldatum van maximaal vijf jaar moeten krijgen, met verplichte evaluatie als voorwaarde voor verlenging. Het Rekenhofrapport over de vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing toont precies aan wat er gebeurt zonder evaluatieplicht: €2,9 miljard aan uitgaven (2017) zonder aangetoond verband met de beleidsdoelstellingen. Rekenhof
2. Verplichte, versterkte reguleringsimpactanalyse (RIA) voor fiscale wetgeving. België scoort in de OESO-indicatoren voor regelgevingsbeleid onder het OESO-gemiddelde op impactanalyse. De Sustainable Governance Indicators (2024) stellen dat RIA's in de praktijk "often only superficially addressed" worden. Voor fiscale wetgeving is het probleem acuut: programmawetten worden onder hoogdringendheid aangenomen, waardoor noch RIA noch Raad van State-advies betekenisvol is. Naar Duits model (Nationaler Normenkontrollrat) zou de controleraad alle fiscale RIA's moeten toetsen vóór parlementaire behandeling (art. 36 HART-grondwet).
3. Onafhankelijke permanente commissie voor fiscale codificatie en vereenvoudiging. Dit orgaan combineert elementen van het Nieuw-Zeelandse GTPP, het Britse OTS (met versterkt mandaat), en het Duitse NKR. Het zou bestaan uit fiscale academici, practitioners, economen en digitale experts, met als mandaat:
- Vijfjaarlijkse technische consolidatie van het WIB92
- Advisering over coherentie van nieuwe fiscale voorstellen met het bestaande wetboek
- Jaarlijks publiek rapport over de "Staat van het Belastingwetboek"
- Verplichte consultatie vóór indiening van majeure fiscale wetgeving bij het Parlement
4. Fundamentele herschrijving van het WIB92 binnen tien jaar. Het WIB92, waarvan de officiële consolidatie op ejustice sinds 2002 stilligt, Ejustice is toe aan een volledige herschrijving. Niet slechts taalkundige modernisering (zoals het gefaalde Australische Tax Law Improvement Project dat na voltooiing van slechts een derde werd stopgezet), IRS maar een beleidsmatige vereenvoudiging waarbij het aantal uitzonderingsregimes drastisch wordt verminderd. De Nieuw-Zeelandse ervaring leert dat dit alleen slaagt als het "big" is: stukje-bij-beetje hervormen werkt niet. PBS
5. Einde van programmawetten voor fiscale materie en versterking van de Raad van State. De routinematige bundeling van belastingmaatregelen in programmawetten onder hoogdringendheid moet ophouden. Fiscale wetgeving verdient een volwaardig advies van de Raad van State, inclusief kwaliteitsbeoordeling. Concreet: beëindiging van de hoogdringendheidsprocedure voor fiscale wetgeving tenzij in werkelijk uitzonderlijke omstandigheden; uitbreiding van de afdeling wetgeving met gespecialiseerde fiscale expertise; en opvolging van de implementatie van adviezen.
6. Pilootprojecten "Rules as Code" naar Nieuw-Zeelands en Ests model. Het Better Rules-initiatief van Nieuw-Zeeland toonde aan dat wetgeving gelijktijdig menselijk leesbaar en machinaal uitvoerbaar kan worden opgesteld. Digital België beschikt al over Tax-on-web en MyMinfin. Een pilootproject dat specifieke, goed afgebakende belastingregels (bijvoorbeeld de energiegerelateerde aftrekken) codeert in het open-source OpenFisca-framework, GovInsider zou dubbel rendement opleveren: betere digitale dienstverlening én het blootleggen van ambiguïteiten in de bestaande wetgeving die bij handmatige interpretatie onzichtbaar blijven. Digital
7. Structurele herziening van de federaal-gewestelijke fiscale architectuur. Het opcentiemenmechanisme ingevoerd door de Zesde Staatshervorming creëert een "belasting op een belasting" VIVES waarbij het federale niveau een eerste-bewegersvoordeel heeft en de gewesten automatisch inkomsten verliezen bij federale belastingverlagingen. De bruto gewestelijke opcentiemen groeiden van €6,77 miljard in 2018 naar €9,97 miljard in 2024, SERV maar het systeem zelf genereert complexiteit door overlappende bevoegdheden en drie verschillende versies van het aangifteformulier. Een coherentere aanpak zou de gewesten exclusieve bevoegdheid geven over volledige belastinggrondslagen (bijvoorbeeld alles met betrekking tot onroerend goed) in plaats van opcentiemen op de federale personenbelasting. VIVES Het HART-model doet dat: de deelstaten krijgen volledige eigen belastingen, op één waardering door de ene belastingdienst, en in plaats van opcentiemen een eigen tarief op de federale grondslag van de personenbelasting, binnen een band (art. 52 tot 54 HART-grondwet).
Internationale benchmarks plaatsen België onderaan
De internationale vergelijking maakt de urgentie tastbaar. Op de Tax Foundation International Tax Competitiveness Index 2025 staat België op de 30e plaats van 38 OESO-landen Tax Foundation (score 63,2), Tax Foundation terwijl Estland eerste staat, Tax Foundation Nieuw-Zeeland derde Tax Foundation en Zweden elfde. Op de laatste Doing Business Paying Taxes-ranglijst (2020) besteedde een gemiddeld Belgisch bedrijf 136 uur per jaar aan belastingcompliance, World Bank bijna drie keer zoveel als de 50 uur in Estland. Wereldbank De totale belasting- en bijdragevoet van 55,4% plaatst België bij de hoogste in de EU, samen met Frankrijk (laatste op de ITCI) en Italië.
| Land | ITCI 2025 rang | Compliance (uren/jaar, 2020) | Kernkenmerk |
|---|---|---|---|
| Estland | 1 | 50 (waarvan 5 voor de VenB) | Vlaktaks + digitaal + 0% op ingehouden winst |
| Nieuw-Zeeland | 3 | Laag | GTPP-consultatieproces + brede basis, lage tarieven |
| Zweden | 11 | Gemiddeld | Dual income tax + brede basis |
| Nederland | 16 | Gemiddeld | Boxensysteem, herhaalde hervormingspogingen |
| België | 30 | 136 | Extreem complex, hoogste belastingwig OESO |
| Frankrijk | 38 (laatste) | 139 | Codificatie zonder vereenvoudiging |
De les uit deze ranglijst is dat structurele eenvoud (Estland), procesmatige kwaliteitsborging (Nieuw-Zeeland) en ingrijpende basisverbreding met tariefverlaging (Scandinavië) alle drie aantoonbaar betere resultaten opleveren dan de Belgische strategie van hoge tarieven, smalle basis en uitzonderingsregime op uitzonderingsregime.
Conclusie: van symptoombestrijding naar systeemhervorming
De Belgische fiscale complexiteit is geen natuurverschijnsel maar het resultaat van decennia aan incrementele beleidsvorming zonder kwaliteitsborging. Elk rapport, van het Rekenhof, de Raad van State, de Hoge Raad van Financiën of het IMF, bevestigt dezelfde diagnose; geen enkel rapport leidt tot structurele genezing. De vooraf ingevulde belastingaangifte Mediateurfederal en Tax-on-web zijn waardevolle digitale pleisters, VRTVRT maar ze behandelen symptomen terwijl de onderliggende wetgeving ongecontroleerd woekert.
De internationale vergelijking levert drie sleutelbevindingen op. Ten eerste werkt codificatie alleen niet: Frankrijk bewijst dat een netjes geordend wetboek kan samengaan met Direction Générale des Douanes et Droits Indirects de slechtste concurrentiepositie van de OESO. Tax Foundation Ten tweede is een onafhankelijk kwaliteitsorgaan noodzakelijk maar onvoldoende: het Britse OTS toont dat zo'n orgaan zonder mandaat over de stroom van nieuwe wetgeving geen blijvend verschil maakt. UK ParliamentTax.org.uk Ten derde is "big bang"-hervorming superieur aan incrementalisme: Zweden (1990-1991), ReforminstitutetUniversity of Chicago Press Nieuw-Zeeland (1980s) en Estland (1994) LOC realiseerden hun doorbraken door het hele systeem tegelijk aan te pakken, PBS niet door eindeloze commissierapporten zonder implementatie, zoals Nederland demonstreert. Meijburg
Voor België betekent dit een drievoudige strategie. Op korte termijn: horizonbepalingen invoeren voor alle fiscale gunstmaatregelen en de programmawettenpraktijk voor fiscale materie beëindigen. Op middellange termijn: een onafhankelijke codificatiecommissie oprichten met echt mandaat en het WIB92 grondig herschrijven. Op lange termijn: de federaal-gewestelijke fiscale architectuur herdenken zodat bevoegdheden coherent zijn in plaats van gestapeld. De kosten van niets doen zijn bekend: ongeveer €6 miljard aan administratieve lasten voor ondernemingen en zelfstandigen (Federaal Planbureau, 2022), ongeveer €5,2 miljard gemiste btw (Europese Commissie, 2023), en een belastingdienst die haar eigen wetgeving niet kan handhaven. Een officiële raming van de totale belastingontduiking bestaat niet. De vraag is niet of België zich hervorming kan veroorloven, maar of het zich het uitblijven ervan nog langer kan permitteren.