arrow_back Alle partijpunten
Partijpunt 20 van 30

Overheid

Partijprogramma Overheid. HART

Partijprogramma Overheid. HART Federale en Vlaamse verkiezingen

Op basis van OESO Government at a Glance, IMD World Competitiveness Ranking 2026, Eurostat-overheidsrekeningen, RSZ-tewerkstellingsstatistieken, Federaal Planbureau, NBB, Monitoringcomité, Rekenhof auditverslagen, e-Estonia/OECD Digital Government Policy Framework, Deense Kommunalreform 2007, Nederlands ABD-model, Nieuw-Zeelands Public Finance Act, en de Zweedse/Canadese begrotingshervormingen


Kernprincipe

De Belgische overheid is de vierde duurste van de Europese Unie, maar levert geen vierde-beste dienstverlening. Het probleem is niet dat Belgen te veel vragen van hun staat. Het probleem is dat de institutionele architectuur kosten vermenigvuldigt zonder resultaten te vermenigvuldigen. Zes regeringen, een vijftigtal ministers en staatssecretarissen, ruim 3.700 overheidseenheden, ongeveer 1.800 kabinetsmedewerkers en ruim 1,1 miljoen mensen die bij de overheid of in het onderwijs werken, voor 11,9 miljoen inwoners. HART wil geen besparingsretoriek maar een structurele hervorming: minder lagen, minder kabinetten, meer digitaal, meer meritocratisch, meer transparant. Landen met vergelijkbare of betere publieke diensten, zoals Nederland, Denemarken, Zwitserland en Estland, realiseren die tegen dramatisch lagere kosten.

Zie ook: HART-hoofdstuk Subsidiariteit (bevoegdheidsverdeling, provincies, Senaat, gemeentefusies, fiscale autonomie).


Feiten en bronnen

Feit Cijfer Bron
Belgische overheidsuitgaven (% bbp, 2024) 54,1% (2025: 54,2%, vierde hoogste van de EU) Eurostat, overheidsrekeningen
EU-gemiddelde overheidsuitgaven (% bbp, 2024) 49,1% Eurostat
Nederland overheidsuitgaven (% bbp, 2024) 44,4% Eurostat
Zwitserland overheidsuitgaven (% bbp, 2024) 33,6% Eurostat
Estland overheidsuitgaven (% bbp, 2024) 44,0% Eurostat
Werknemers overheid en onderwijs (eerste kwartaal 2025) 1.125.953 (27% van alle werknemers), waarvan 549.248 statutair RSZ, arbeidsmarktanalyse
Personeelskosten alle overheden (2025) €80,2 miljard (12,5% bbp) Eurostat, overheidsrekeningen
IMD World Competitiveness Ranking: België 32e van 70 (2026); 13e in 2023 IMD 2026
IMD-pijler overheidsefficiëntie: België 42e van 70 (2026), de zwakste van de vier pijlers IMD 2026
Kabinetsmedewerkers federaal 594 voor 15 regeringsleden (2025); 838 voor 20 bewindslieden in 2020 belgium.be 2025 / VRT NWS 2020
Kabinetsmedewerkers alle regeringen ~1.800 (2025-2026), naar schatting €200 mln/jaar belgium.be, Vlaams Parlement, Wallex, RTBF / VRT NWS (kostenraming 2018)
Kabinetsleden per mln inwoners: Wallonië + Brussel ~175 (2025-2026) eigen berekening op basis van Wallex, RTBF en Statbel
Kabinetsleden per mln inwoners: Vlaanderen ~42 (eind 2025) eigen berekening op basis van Vlaams Parlement en Statbel
Kabinetsmedewerkers per minister: België federaal ~40 (594 ÷ 15 regeringsleden, 2025) belgium.be 2025
Politieke medewerkers per minister: VK (Special Advisers) 4 à 5 per minister buiten Downing Street (159 in de hele regering, waarvan 47 in het team van de premier, maart 2026) GOV.UK Cabinet Office 2026
Politieke medewerkers per bewindspersoon: Nederland 1 politiek adviseur (2 voor de premier en de vicepremiers) Rijksoverheid, Handboek voor bewindspersonen 2026
Kabinetslimiet Frankrijk 10 per minister (2017-2020), daarna 15 decreten 2017-1063 en 2020-862 (Légifrance)
FOD Financiën: personeel ~20.500 (2025), de grootste FOD FOD Financiën, jaarverslag 2025
Overheidsschuld (% bbp, eind 2025) 107,9% (€692,5 mld) NBB
Begrotingstekort (% bbp, 2024) 4,4% NBB / Europese Commissie
Begrotingstekort (% bbp, 2025) 5,2% (€33,2 mld) NBB
Tekort federale overheid (2025) €24,1 miljard (3,8% bbp) NBB
Uitgaven externe consultants federaal (2020-2022) €2,5 miljard incl. btw Rekenhof 2025
itsme® gebruikers meer dan 8 miljoen (2025) itsme®
België: UN E-Government Development Index 56e van 193 (2024) UN EGDI 2024
Denemarken: UN EGDI #1 (score 0,9847, 2024) UN EGDI 2024
Estland: besparing door e-government 2% bbp verwacht bij de invoering van de digitale handtekening (2002); X-Road spaart volgens de Estse overheid ~1.345 werkjaren per jaar uit (2025) e-Estonia / Estse overheid
Canada: begrotingssanering jaren '90 ~7:1 ratio besparingen vs. belastingen Canadese begroting 1995 / Fraser Institute
Zweden: begrotingskader Uitgavenplafonds + overschotdoel (vanaf 2027 balansdoel) + schuldanker 35% Government.se / Riksdag
Nederland: begrotingstekort (2025) 1,6% bbp Eurostat
Nederland: overheidsschuld (2025) 44,4% bbp Eurostat
Politiezones België 176 (2026) FOD Binnenlandse Zaken / BRUZZ

Standpunt 1: SLANKERE OVERHEID: saneren door efficiëntie, niet door blind te snijden

België geeft 54,1% van zijn bbp uit aan de overheid (2024): tien procentpunten meer dan Nederland en twintig meer dan Zwitserland, zonder aantoonbaar betere dienstverlening. Ruim 1,1 miljoen mensen werken bij de overheid of in het onderwijs, meer dan een op de vier werknemers (2025). De personeelskosten van alle overheden samen bedragen €80,2 miljard per jaar, 12,5% van het bbp (2025). Op de IMD World Competitiveness Ranking zakte België van de 13e plaats (2023) naar de 32e van 70 landen (2026); voor overheidsefficiëntie staat het 42e, de zwakste van de vier pijlers. Ondertussen gaf de federale overheid €2,5 miljard uit aan externe consultants over drie jaar (2020-2022), volgens het Rekenhof zonder centrale strategie en bij 78% van de onderzochte contracten zonder (voldoende) verantwoording.

Feiten:

  • Overheidsuitgaven: 54,1% bbp (2024) versus EU-gemiddelde 49,1%, Nederland 44,4%, Zwitserland 33,6% (Eurostat).
  • Overheidspersoneel: 1.125.953 werknemers bij de overheid en in het onderwijs, 27% van alle werknemers, waarvan 549.248 statutair (eerste kwartaal 2025, RSZ); personeelskosten van alle overheden €80,2 miljard (2025, Eurostat).
  • Consultancy-uitgaven federaal: €2,5 miljard incl. btw (2020-2022), ruim 80% IT; bij 78% van 101 onderzochte contracten was de inzet niet of onvoldoende verantwoord (Rekenhof 2025).
  • IMD World Competitiveness Ranking: 32e van 70 (2026), gedaald van 13e in 2023; pijler overheidsefficiëntie 42e van 70 (IMD 2026).
  • Canada saneerde in de jaren '90 met een verhouding van ongeveer 7 besparingen op 1 belastingverhoging, schrapte 45.000 ambtenarenposten en bereikte binnen vier jaar een begrotingsoverschot (Canadese begroting 1995, Fraser Institute).

Wat we gaan doen:

  • Elke FOD, parastatale en agentschap doorlichten op kerntaken, overlap en efficiëntie via een onafhankelijke spending review. Naar Canadees model (Program Review 1994-1996). Elke instelling moet aantonen waarom zij bestaat en wat zij toevoegt.
  • Personeelsbestand terugbrengen via natuurlijke uitstroom en niet-vervanging, gecombineerd met investering in digitalisering en automatisering. Geen naakte besparingen maar slimmere processen. Streefcijfer: overheidsuitgaven dalen naar 48% bbp binnen tien jaar, net onder het EU-gemiddelde (49,5% in 2025).
  • Interne expertise opbouwen om de afhankelijkheid van externe consultants structureel te verlagen. Maximaal 10% van IT-budgetten naar externe consultancy, de rest naar eigen personeel en open-source-oplossingen.
  • De twee resterende POD's (Maatschappelijke Integratie en Wetenschapsbeleid) integreren in bestaande FOD's. Zij werden in 2002 bij de Copernicushervorming opgericht als tijdelijke structuren, in principe voor één legislatuur, maar zijn de facto permanent geworden.

Bewezen: Canada verlaagde zijn federale schuldquote met ongeveer 30 procentpunten in een tiental jaar via de Program Review. Niet door blind te snijden maar door elk overheidsprogramma te toetsen aan zes criteria, waaronder "Is dit nog een rol voor de overheid?" De departementale uitgaven lagen in 1997-98 C$7,2 miljard lager dan zonder die doorlichting. Zweden zette een tekort van 13% bbp (1993) in vijf jaar om in een overschot, via uitgavenplafonds en structuurhervormingen. Beide landen combineerden sanering met economische groei. (Canadese begroting 1995, Canadees ministerie van Financiën, Fraser Institute, IMF, Government.se)


Standpunt 2: DEPOLITISERING: kabinetten afbouwen, meritocratie invoeren

Het Belgische kabinettensysteem is uniek in Noord-Europa en structureel disfunctioneel. In 2020 werkten 838 kabinetsmedewerkers voor twintig federale bewindslieden; in 2025 waren het er nog 594 voor vijftien, gemiddeld ongeveer 40 per minister. Over alle regeringen heen telt België ongeveer 1.800 kabinetsmedewerkers (2025-2026), die naar schatting €200 miljoen per jaar kosten. Wallonië en Brussel samen tellen ongeveer 175 kabinetsleden per miljoen inwoners, Vlaanderen circa 42: een viervoudige per-capita-kloof. Kabinetten usurperen de rol van de administratie in alle beleidsfasen: voorbereiding, besluitvorming én uitvoering. Belangengroepen wenden zich tot kabinetten in plaats van administraties, wetende dat die laatste geen betekenisvolle rol spelen. Dit demoraliseert de ambtenarij en drijft het beste talent richting kabinetten, die dan nog meer personeel nodig hebben.

Ondanks het mandaatsysteem ingevoerd bij de Copernicushervorming van 2001 blijft de politieke greep op topbenoemingen totaal. Op vrijwel elke absolute topambtenaar kan een politieke kleur worden geplakt, meestal omdat men een verleden als kabinetschef heeft.

Feiten:

  • 594 kabinetsmedewerkers federaal voor 15 regeringsleden in 2025, gemiddeld circa 40 per kabinet (838 voor 20 bewindslieden in 2020); ongeveer 1.800 over alle regeringen (2025-2026), naar schatting €200 mln/jaar (belgium.be 2025, VRT NWS 2020 met kostenraming voor 2018).
  • Wallonië+Brussel: circa 175 kabinetsleden per miljoen inwoners; Vlaanderen: circa 42 (2025-2026). Een viervoudige kloof binnen hetzelfde institutionele kader, wat aantoont dat afslanking binnen België technisch haalbaar is (eigen berekening op basis van Wallex, RTBF, Vlaams Parlement en Statbel).
  • Per minister politiek benoemde medewerkers (appels met appels): Nederland 1 politiek adviseur per bewindspersoon (2 voor de premier en de vicepremiers), VK gemiddeld 4 à 5 Special Advisers per minister (159 in de hele regering, waarvan bijna een derde in het team van de premier, maart 2026), Frankrijk 10 onder de limiet van 2017 (decreet 2017-1063), België federaal circa 40. België heeft per minister vier tot veertig keer meer politiek benoemd personeel dan landen met een professionele ambtelijke structuur. Dit gaat niet over de totale beleidscapaciteit: die zit in Nederland en het VK in de neutrale ambtenarij (GOV.UK Cabinet Office 2026, Rijksoverheid, Légifrance).
  • Volgorde is cruciaal. Frankrijk beperkte in 2017 kabinetten tot 10 medewerkers (decreet 2017-1063 van 18 mei 2017). De limiet hield drie jaar stand en werd in juli 2020 verhoogd naar 15 (decreet 2020-862). Niet omdat 10 onhaalbaar was, maar omdat de Franse administratie geen Algemene Bestuursdienst had om de weggehaalde beleidscapaciteit op te vangen. De les voor België: eerst capaciteit opbouwen in de administratie, dan kabinetten afbouwen (Acteurs Publics, Dalloz).
  • Onderzoek van het KU Leuven Instituut voor de Overheid (2008) naar de Vlaamse BBB-hervorming toont hoe politieke actoren de indeling in 13 beleidsdomeinen mee bepaalden: politieke logica eerder dan organisatorische.
  • Nederland: ministers werken met één politiek adviseur; beleidswerk wordt gedaan door een neutrale ambtenarij onder leiding van een secretaris-generaal (ABD/P-Direkt).
  • VK: de onafhankelijke Civil Service Commission zit persoonlijk elke selectie voor op het hoogste niveau (permanent secretaries en equivalent); ministers mogen het competentieprofiel definiëren maar mogen niet in het selectiecomité zitten (Constitutional Reform and Governance Act 2010).
  • Nieuw-Zeeland: de Public Service Commissioner benoemt topambtenaren onafhankelijk; sinds 1988 werd op honderden benoemingen slechts één keer een aanbeveling van de Commissioner niet gevolgd (Te Ara, NZ Public Service Commission).
  • FOD BOSA werkte vanaf 2022, samen met Belspo, het Federaal Planbureau en Statbel, mee aan het OESO/EU-traject Evidence Informed Policy Making (EIPM) onder het Technical Support Instrument van DG Reform. Vier speerpunten: vaardigheden van beleidsmakers, uitwisselingsnetwerken, beleidsvoorbereiding en impactanalyse, en evidence-informed HR-beleid. Een ankerpunt voor capaciteitsopbouw binnen de administratie waar een ABD op voortbouwt (FOD BOSA, OESO-rapport 2025).

Wat we gaan doen:

  • Kabinetten beperken tot hoogstens 5 politieke medewerkers per minister, ook in de deelstaten, uitsluitend voor politieke coördinatie. Naar Nederlands model. Er zijn geen staatssecretarissen. Alle beleidsvoorbereiding en -uitvoering ligt bij de administratie.
  • De limiet houdt omdat de administratie het werk doet. De Belgische Algemene Bestuursdienst levert de beleidsadviescapaciteit die nu in de kabinetten zit. Geen Franse herhaling van 2017, waar de limiet sneuvelde omdat de administratie niet klaar was.
  • Een Onafhankelijk Benoemingsorgaan, verankerd in de grondwet en naar het model van de Nieuw-Zeelandse Public Service Commissioner en de Britse Civil Service Commission. Het selecteert op competenties, niet op partijkaart, voor alle overheden, met twee gescheiden kamers en elk zeven eigen commissarissen. De kamer bestuur selecteert de topambtenaren, de hoofden van de instellingen en de bestuurders van de overheidsbedrijven; de kamer controle selecteert de controleurs: de leden van de controleraden, het Comité I, het Rekenhof, het Planbureau en de Hoge Raad van Financiën. Wie de controleurs kiest, kiest niet de gecontroleerden.
  • De commissarissen zelf: ze worden geloot uit een pool die de wet afbakent: gewezen magistraten, emeritus hoogleraren, gewezen leiders van onafhankelijke instellingen en buitenlandse experten. Een internationale jury gaat na wie aan de voorwaarden voldoet, zodat niemand de selecteurs kiest. Minstens een derde zijn buitenlandse experten, niemand was in de vijf jaar ervoor lid van een partij, en elke commissaris zetelt zes jaar, niet hernieuwbaar. De bevoegde minister bepaalt het profiel van een topfunctie en kan een voordracht gemotiveerd weigeren; na een herhaalde weigering beslist het orgaan.
  • Sunset-mandaten met publieke KPI's voor alle topbenoemingen via het Benoemingsorgaan. Elke topambtenaar, bestuurder van een overheidsbedrijf of regulerend orgaan wordt benoemd voor een termijn van 5 jaar, met 5 tot 8 meetbare doelstellingen die publiek worden gepubliceerd op de dag van benoeming. Na 5 jaar volgt een onafhankelijke evaluatie, niet door de voogdijminister maar door het Benoemingsorgaan op basis van de vooraf vastgelegde KPI's. Het mandaat is eenmalig verlengbaar met 3 jaar bij aantoonbaar behaalde resultaten. Na maximaal 8 jaar is verplichte rotatie de norm. Naar het model van de Nieuw-Zeelandse "performance agreements" en de Nederlandse ABD-rotatie (maximaal 7 jaar per post). Dit is geen termijnlimiet uit wantrouwen, maar een mechanisme dat prestatie beloont en stilstand voorkomt. De KPI's zijn publiek, de evaluatie is onafhankelijk, en de burger kan volgen of de top van de overheid levert.
  • Een Belgische Algemene Bestuursdienst (BABD) oprichten naar Nederlands model, onder de kamer bestuur van het Benoemingsorgaan: de belangrijkste senior managementposities worden centraal beheerd, met verplichte mobiliteit en maximaal acht jaar per functie, in lijn met de sunset-mandaten. De Nederlandse ABD, opgericht in 1995, beheert ruim 2.000 managementfuncties (2025). Dit doorbreekt de verkokering en creëert een professioneel topkader dat de overheid als geheel dient. HART bouwt hierbij voort op het OESO/EU TSI-traject Evidence Informed Policy Making waaraan FOD BOSA vanaf 2022 meewerkte met Belspo, het Federaal Planbureau en Statbel. HART versnelt en verankert, vindt niet opnieuw uit.
  • Een Interministerieel Coördinatiebureau onder de premier oprichten, naar het model van het Britse Cabinet Office en het Nieuw-Zeelandse Department of the Prime Minister and Cabinet. Dit bureau vervangt de interkabinettenwerkgroepen als mechanisme voor interdepartementale en intercoalitie-afstemming, met een kleine politieke topstructuur en een professionele ambtelijke onderbouw. Coalitiepolitiek blijft een reële coördinatievraag, maar de oplossing is niet tientallen kabinetten die permanent onderhandelen, wel één gestructureerd orgaan dat de afstemming systematisch organiseert.
  • Geen positieve discriminatie bij aanstellingen. De beste persoon voor elke positie, ongeacht achtergrond. Een echte meritocratie.

Bewezen: De federale regering telde in 2025 594 kabinetsmedewerkers voor 15 regeringsleden, gemiddeld circa 40 politiek benoemde medewerkers per minister (838 voor 20 bewindslieden in 2020). Het VK werkt met gemiddeld 4 à 5 Special Advisers per minister, Nederland met één politiek adviseur per bewindspersoon, Frankrijk werkte drie jaar met een wettelijke limiet van 10. Het verschil zit niet in de totale beleidscapaciteit. Het zit in de omvang van de politiek benoemde laag bovenop een professionele ambtenarij. De Nederlandse ABD beheert sinds 1995 senior posities, eind 2025 ruim 2.000, waaronder een Topmanagementgroep van 103 hoogste ambtenaren. Het resultaat: een professionelere, minder gepolitiseerde ambtenarij die consistent hoger scoort op internationale vergelijkingen van overheidseffectiviteit dan de Belgische. Singapore combineert een grondwettelijke Public Service Commission met competitieve salarissen gekoppeld aan de privésector en een beurzenprogramma dat talent identificeert vanaf de universiteit. (Zie ook: HART-hoofdstuk De Efficiënte Staat, principes 9 en 13, voor de theoretische onderbouwing van spending reviews en sunset clauses.) (GOV.UK Cabinet Office 2026, belgium.be, Rijksoverheid, Légifrance, Algemene Bestuursdienst, Institute for Government UK, NZ Public Service Commission)


Standpunt 3: DIGITALE OVERHEID: Estland als kompas

België heeft goede digitale bouwstenen maar mist de integratie en ambitie van koplopers. De itsme®-app heeft meer dan 8 miljoen gebruikers (2025) en de eID was een Europese voorloper. Toch staat België op slechts de 56e plaats van de VN E-Government Development Index (2024), ver onder zijn technisch potentieel. De eBox digitale brievenbus is voor burgers vrijwillig in plaats van de standaard. Het once-only-principe staat sinds 2014 in een federale wet, maar bindt niet alle bestuursniveaus. En de meerlagige bestuursstructuur creëert interoperabiliteitsproblemen die digitale koplopers allang hebben opgelost. Administratieve aanvragen zijn te vaak nog papieren processen met een digitale laag eroverheen, in plaats van digital-first-ontwerpen met focus op gebruikerservaring.

Feiten:

  • België: 56e van 193 op de VN EGDI (2024); 16e van 27 in de eGovernment Benchmark van de Europese Commissie (2026); itsme® meer dan 8 miljoen gebruikers (2025); eBox voor burgers vrijwillig; once-only-wet van 5 mei 2014, enkel voor de federale diensten (UN EGDI 2024, Europese Commissie 2026, itsme®, Belgisch Staatsblad).
  • Estland: sinds december 2024 alle overheidsdiensten online, met de echtscheiding als laatste dienst; X-Road verwerkte in 2025 ongeveer 3,7 miljard bevragingen over ruim 3.600 diensten; 98% van de aangiften personenbelasting wordt elektronisch ingediend; bij de invoering van de digitale handtekening (2002) werd een besparing van 2% bbp verwacht, volgens de Estse overheid spaart X-Road ongeveer 1.345 werkjaren per jaar uit (2025) (Estse overheid, x-tee.ee, Estse belastingdienst, e-Estonia).
  • Denemarken: 97% van de Denen ouder dan 15 heeft een actieve MitID (2026); digitale communicatie met de overheid verplicht sinds 1 november 2014; borger.dk als centraal portaal; #1 op VN EGDI (score 0,9847, 2024) (MitID, Digst, UN EGDI).
  • Nederland: DigiD werd in 2025 645 miljoen keer gebruikt; MijnOverheid als centraal portaal, met meer dan 92 miljoen berichten van 431 organisaties via de Berichtenbox (2025) (Logius).

Wat we gaan doen:

  • Een X-Road-achtig interoperabiliteitsplatform bouwen dat alle bestuursniveaus (federaal, deelstaten, concordaten en gemeenten) verbindt, uitgebaat door een onafhankelijke beheerder. De belangrijkste digitale investering die België kan doen. Geen centraal datawarehouse maar gedecentraliseerde, beveiligde data-uitwisseling met volledige audittrail, naar Estlands model.
  • Eén digitale brievenbus per burger en per onderneming, met digitaal als standaard, naar Deens model: papier blijft mogelijk, maar wie digitaal kan en toch papier kiest, betaalt de kosten. Wie het digitaal niet kan, krijgt een gratis vrijstelling en hulp aan het gemeenteloket.
  • Het once-only-principe wettelijk bindend maken voor alle bestuursniveaus: burgers en bedrijven leveren gegevens één keer aan en die worden gedeeld over de volledige overheid. Geen dubbele formulieren meer.
  • Alle administratieve aanvragen en diensten digital-first ontwerpen met focus op gebruikerservaring. Streefcijfer: 95% van overheidsdiensten volledig digitaal tegen 2030.
  • De overheid legt zich toe op het verzamelen, beheren en ontsluiten van data als publiek goed, met strikt respect voor privacy en de AVG.

Bewezen: Estland is sinds december 2024 volgens de Estse overheid het eerste land ter wereld waar alle overheidsdiensten digitaal beschikbaar zijn. De X-Road-infrastructuur verwerkte in 2025 ongeveer 3,7 miljard bevragingen, het gros automatisch tussen overheidssystemen, zonder dat de burger iets moet aanvragen. Denemarken bereikte 97% adoptie van digitale identiteit door verplichte overschakeling gecombineerd met uitstekende gebruikerservaring. Voor België raamt HART het besparingspotentieel op €10 miljard per jaar: Estland schat de besparing van zijn digitale overheid op ongeveer 2% bbp, en HART rekent voorzichtig met 1 à 2%, of €6 à 13 miljard. Waar dat geld zit: administratieve lasten voor bedrijven (ongeveer €6 miljard in 2022, Federaal Planbureau), een btw-kloof van ongeveer €5,2 miljard (2023, Europese Commissie), ruim €0,8 miljard per jaar aan federale consultancy (2020-2022) en vermijdbare duplicatie. Die posten overlappen deels en worden niet zomaar opgeteld. (Estse overheid, x-tee.ee, MitID, Federaal Planbureau, Europese Commissie, Rekenhof)


Standpunt 4: BEGROTINGSDISCIPLINE: spelregels die werken

De Belgische overheidsschuld bedroeg eind 2025 107,9% van het bbp (€692,5 miljard) en stijgt bij ongewijzigd beleid naar ongeveer 113% in 2027 en bijna 123% in 2031. Het begrotingstekort liep op van 4,4% in 2024 naar 5,2% in 2025 (€33,2 miljard), het derde hoogste van de EU. Het tekort van de federale overheid alleen al bedroeg €24,1 miljard (2025). Sinds juli 2024 zit België in een Europese procedure wegens buitensporig tekort, die eist dat het tekort tegen 2029 gecorrigeerd is. Een tekort op de begroting is een belasting op toekomstige generaties, bovenop de kost van de vergrijzing.

Feiten:

  • Overheidsschuld: 107,9% bbp (eind 2025, €692,5 mld); projectie 112,8% in 2027 (Europese Commissie, voorjaar 2026) en 122,6% in 2031 bij ongewijzigd beleid (Monitoringcomité, juli 2026) (NBB, EC, Monitoringcomité).
  • Begrotingstekort: 4,4% bbp (2024) en 5,2% (2025), derde hoogste van de EU; federale overheid €24,1 mld of 3,8% bbp (2025) (NBB).
  • Buitensporigtekortprocedure: België zit er sinds juli 2024 in; volgens de aanbeveling van de Raad van 20 juni 2025 moet het buitensporig tekort tegen 2029 gecorrigeerd zijn (Raad van de EU, Monitoringcomité).
  • Nederland: tekort 1,6% bbp, schuld 44,4% (2025), met meerjarige uitgavenplafonds en onafhankelijke CPB-doorrekening (Eurostat).
  • Zweden: uitgavenplafonds, overschotdoel (⅓% bbp over de conjunctuurcyclus, vanaf 2027 vervangen door een balansdoel), schuldanker (35% bbp ±5pp), begrotingsevenwichtsverplichting voor gemeenten, onafhankelijke Fiscal Policy Council (Government.se, Riksdag, CEPR).
  • Nieuw-Zeeland: Fiscal Responsibility Act (1994): principes in plaats van vaste targets, met verplichte publieke verantwoording bij afwijkingen (Treasury NZ).

Wat we gaan doen:

  • Meerjarige uitgavenplafonds invoeren naar Zweeds-Nederlands model: bij het begin van elke legislatuur worden reële netto-uitgavenplafonds vastgelegd per beleidssector. Meevallers aan de inkomstenzijde worden niet uitgegeven maar gaan naar schuldafbouw.
  • Een wettelijk verankerd schuldanker van maximaal 90% bbp als tienjarendoelstelling, met een jaarlijks afdwingbaar convergentiepad.
  • Een schuldenrem voor elke overheid in de grondwet: uitgaven en ontvangsten over de conjunctuur in evenwicht, en geen federale redding van een deelstaat. De Hoge Raad van Financiën is de onafhankelijke waakhond: hij meldt elke afwijking van de begrotingsregels, en de betrokken regering legt binnen dertig dagen een correctieplan voor aan haar parlement.
  • Het Federaal Planbureau substantieel versterken voor systematische doorrekening van alle verkiezingsprogramma's. Naar Nederlands CPB-model. Het CPB beschikt over aanzienlijk meer capaciteit dan het Belgische Planbureau voor deze oefening. Begrotingscijfers moeten transparant en onafhankelijk geverifieerd zijn vóór de kiezer naar het stemhokje gaat.
  • Saneren via efficiëntie, niet via lineaire besnoeiingen. Eerst investeren in procesoptimalisatie, digitalisering en automatisering, dan met minder mensen werken. Instellingen die meer inkomsten kunnen genereren (zoals de VRT) moeten dat doen.

Bewezen: Zweden zette een begrotingstekort van 13% bbp (1993) in vijf jaar om in een overschot en bouwde het sterkste begrotingskader ter wereld op: meerjarige uitgavenplafonds, een overschotdoel, en een onafhankelijke Fiscal Policy Council. De Zweedse overheidsschuld daalde van ongeveer 70% in de jaren '90 naar ongeveer 35% bbp (2025). Canada bereikte een vergelijkbaar resultaat met een verhouding van ongeveer 7:1 van besparingen versus belastingverhogingen, door elk overheidsprogramma te toetsen aan kernvragen over relevantie en efficiëntie. Beide landen combineerden sanering met economische groei, niet met recessie. (IMF, Eurostat, Government.se, Fraser Institute, Canadese begroting 1995)


Standpunt 5: PERMANENTE DIGITALE VERANTWOORDING: elke euro zichtbaar, elke dag

Het is voor de gemiddelde Belg vrijwel onmogelijk om te achterhalen hoeveel geld naar welke overheidsdienst gaat en met welk doel. België is niet opgenomen in de Open Budget Survey van het International Budget Partnership, een opvallende transparantiekloof voor een OESO-land. De BOSA-infographic "begrijpbare begroting" is een begin, maar er is geen systematische koppeling tussen uitgaven en resultaten. Een jaarlijks verantwoordingsmoment zoals de Nederlandse Verantwoordingsdag is een stap vooruit, maar blijft een fotomoment. HART kiest voor de bewakingscamera: permanente digitale verantwoording, waarbij verantwoording afleggen geen jaarlijks ritueel is maar een doorlopende toestand.

Feiten:

  • België niet opgenomen in de Open Budget Survey van het International Budget Partnership.
  • BOSA publiceert een vereenvoudigde begrotingsinfographic, maar er is geen systematische resultaatverantwoording (BOSA).
  • Het Rekenhof controleert federale en deelstaatbegrotingen maar heeft geen jurisdictie over gemeenten en geen afdwingbaar opvolgingsmechanisme (Rekenhof, Vlaams Parlement).
  • Adviezen van de Inspectie van Financiën worden niet standaard gepubliceerd, en een minister kan een negatief advies laten overrulen zonder publieke motivering (Vlaamse Codex Overheidsfinanciën, protocol IF).
  • Slovenië: de anticorruptiecommissie KPK beheert Erar, een publieke webapplicatie die alle transacties van alle publieke instellingen en overheidsbedrijven doorlopend toont (NIO, UNODC).
  • Verenigd Koninkrijk: elke departementsuitgave boven £25.000 wordt maandelijks online gepubliceerd (sinds 2010), en bewindspersonen publiceren per kwartaal hun ontmoetingen, giften en reizen (GOV.UK).
  • Nederland: Verantwoordingsdag sinds 2000, elk jaar op de derde woensdag van mei, met het oordeel van de Algemene Rekenkamer en open begrotingsdata op rijksfinancien.nl (Tweede Kamer, ministerie van Financiën).
  • Nieuw-Zeeland: Public Finance Act verplicht output-gebaseerde begrotingen en accrual accounting, waardoor overheidsrekeningen eruitzien als bedrijfsjaarverslagen met een balanspositie (Treasury NZ).

Wat we gaan doen:

  • Eén live verantwoordingsdashboard per minister: elke uitgave boven €500, elk contract, elke campagne, automatisch gevoed vanuit de boekhouding en gekoppeld aan doel, resultaat en bereik. Van federaal tot gemeentelijk niveau. Geen aparte rapportage achteraf: de data stroomt rechtstreeks uit de bron. (Zie ook: HART-hoofdstuk Corruptie & Integriteit, Standpunt 8: geen publicatie, geen contract.)
  • Rode-vlag-systeem: afwijkingen verschijnen automatisch op het dashboard én op de agenda van de bevoegde parlementscommissie: gunning zonder concurrentie, budgetoverschrijding, een overruled negatief advies van de Inspectie van Financiën, bereik dat ver onder de doelstelling blijft. Verantwoording wordt event-driven in plaats van kalender-driven.
  • Continue décharge: het parlement kan op elk moment per beleidsprogramma een verantwoordingsdebat en stemming houden. Een minister met openstaande rode vlaggen antwoordt binnen 30 dagen publiek, op het dashboard zelf.
  • Inspectie van Financiën uit de schaduw: alle IF-adviezen worden gepubliceerd. Over cijfers en begrotingsregels is een IF-advies bindend. Wijkt een minister op een ander punt af van een negatief advies, dan wordt dat advies automatisch publiek en gemeld aan het parlement, en antwoordt de minister binnen dertig dagen publiek en gemotiveerd. Lagere adviesdrempels voor communicatie- en campagne-uitgaven.
  • Kwartaalpublicatie per minister van lobbycontacten, giften, reizen en communicatie-uitgaven, naar het model van de Britse ministerial transparency returns.
  • De jurisdictie van het Rekenhof uitbreiden naar gemeenten en de afdwingbaarheid van zijn aanbevelingen versterken. Een Rekenhof dat problemen signaleert zonder dat iemand verplicht is er iets mee te doen, is onhoudbaar.
  • Toewerken naar output-gebaseerde begrotingen naar Nieuw-Zeelands model: niet "hoeveel geven we uit aan onderwijs" maar "welke onderwijsresultaten kopen we met dit budget".

Bewezen: Slovenië toont via Erar doorlopend alle transacties van de hele publieke sector; het systeem wordt door de anticorruptiecommissie ingezet als structureel wapen tegen cliëntelisme. Het Verenigd Koninkrijk publiceert sinds 2010 maandelijks elke departementsuitgave boven £25.000 en per kwartaal de ontmoetingen, giften en reizen van elke bewindspersoon. Nederland bewijst met een Verantwoordingsdag sinds 2000 en open begrotingsdata op rijksfinancien.nl dat publieke verantwoording de begrotingscultuur verandert; HART maakt die verantwoording permanent in plaats van jaarlijks. Nieuw-Zeeland pionierde met output-gebaseerde begrotingen en accrual accounting, waardoor elke dollar aan een meetbaar resultaat wordt gekoppeld. (NIO/UNODC, GOV.UK, Tweede Kamer, Treasury NZ)


Standpunt 6: KIESKRINGHERVORMING: meeste stemmen = verkozen

Het Belgische kiesstelsel verdeelt de 150 Kamerzetels over elf kieskringen: de tien provincies en Brussel-Hoofdstad. Dit systeem bevordert regionale versnippering, beperkt de keuze van de kiezer en creëert een artificiële afstand tussen politici en burgers uit andere provincies. Opvolgers en lijststemmen bepalen mee wie verkozen raakt, niet uitsluitend de kiezer. De Paviagroep stelde in 2007 voor om een deel van de zetels in een federale kieskring te verkiezen, maar dat voorstel bleef steken in communautaire tegenstellingen.

Feiten:

  • België: 150 Kamerzetels over 11 kieskringen (10 provincies en Brussel-Hoofdstad) met kiesdrempel van 5% (wet aangenomen in 2002, voor het eerst toegepast bij de verkiezingen van 2003); BHV gesplitst in 2012.
  • Paviagroep (Nederlandstalige en Franstalige academici): voorstel van 14 februari 2007 voor 15 zetels in een federale kieskring om intercommunautaire dialoog te bevorderen (Paviagroup.be).
  • Nederland: 150 zetels in één nationale kieskring met effectieve drempel van 0,67%; maximale proportionaliteit maar extreme partijfragmentatie (17 partijen in 2021) (Electoral Reform Society).

Wat we gaan doen:

  • Een landelijke kieskring voor een deel van de Kamer: de 60 Kamerzetels gaan naar de deelstaten naar hun bevolking, en de wet kan een deel ervan in één kieskring voor het hele land laten verkiezen, zonder zetels voor een taalgroep. Voor de deelstaatparlementen pleit HART voor één kieskring per deelstaat.
  • Het systeem van opvolgers en lijststemmen afschaffen: de kandidaten met de meeste voorkeurstemmen worden verkozen. De kiezer beslist, niet de partijlijst.
  • Proportionele zetelverdeling handhaven. Elke stem telt even zwaar, ongeacht waar men woont.
  • Elke deelstaat houdt minstens één Kamerzetel, zodat ook de kleinste deelstaten, zoals Luxemburg en Ostbelgien, hun parlementaire stem niet verliezen.

Bewezen: Nederland verdeelt de zetels al meer dan honderd jaar landelijk, als één kieskring, en bewijst dat volledige proportionaliteit haalbaar is. Het systeem garandeert dat elke stem evenveel waard is en elimineert de kieskringeffecten die in België kandidaten uit grotere steden bevoordelen. De Paviagroep toonde aan dat zelfs een beperkt aantal federale zetels de incentivestructuur van politici fundamenteel kan veranderen richting samenwerking over de taalgrens heen. (Electoral Reform Society, Paviagroup.be)


Standpunt 7: TAALFACILITEITEN: behouden, in ruil voor het einde van de taalveto's

De taalfaciliteiten gelden in 27 Belgische gemeenten en waren bedoeld als integratiebevorderend instrument. Ze hebben het tegenovergestelde bereikt. In de zes randgemeenten rond Brussel vormen Franstaligen naar alle beschikbare indicatoren een ruime meerderheid van de bevolking; een officiële taaltelling bestaat sinds 1947 niet meer. Demografische proxydata (o.a. taalvoorkeur bij telecom, Kind & Gezin-registraties) tonen aan dat het aandeel Nederlandstalige gezinnen in die gemeenten gestaag is gedaald. Toch behoudt HART de faciliteiten, als prijs voor iets dat zwaarder weegt: het einde van de taalveto's die elke hervorming blokkeren.

Feiten:

  • 27 faciliteitengemeenten in vier categorieën: 6 randgemeenten, 10 taalgrensgemeenten, 9 in de Duitstalige Gemeenschap, 2 in het Malmedyse (Adjunct van de Gouverneur, Vlaamserand).
  • Wettelijke basis: Taalgrenswet (1962) en Taalwet bestuurszaken (1963); sinds de grondwetsherziening van 1988 kan het regime in deze gemeenten enkel met een bijzondere meerderheid gewijzigd worden (artikel 129, §2 van de Grondwet); de Pacificatiewet (1988) regelde onder meer het taalgebruik van de mandatarissen in de faciliteitengemeenten (Grondwet, Vlaamserand, DOCU).
  • Demografische data wijzen op een duidelijke verfransing in de randgemeenten: diverse bronnen (o.a. Belgacom-taalvoorkeurdata, Kind & Gezin-registraties) bevestigen dat Franstaligen er een ruime meerderheid vormen en dat het aandeel Nederlandstalige gezinnen sterk is gedaald.
  • Omzendbrief-Peeters (1997, bevestigd door omzendbrief-Keulen 2005 en omzendbrief-Bourgeois 2010): inwoners moeten elke keer opnieuw om Franstalige dienstverlening verzoeken. Raad van State (2014, arrest Caprasse): compromis van verzoeken geldig voor 4 jaar.
  • Afschaffing vereist een bijzondere wet (2/3 meerderheid + meerderheid in elke taalgroep).

Wat we gaan doen:

  • De 27 faciliteitengemeenten in de grondwet zelf vastleggen: hun inwoners kunnen ook in een tweede taal met de overheid communiceren, en een gemeentefusie verandert daar niets aan.
  • In ruil verdwijnen de taalveto's: geen taalgroepen in de Kamer, geen alarmbel, geen bijzondere meerderheden per taalgroep en geen taalpariteit in de federale regering. Brussel houdt gewaarborgde zetels en een paritaire regering.
  • Een sterkere taalgrens: de taalgebieden en de faciliteiten veranderen alleen nog door een grondwetsherziening, met twee derden in de Kamer en een meerderheid van de kiezers én van de deelstaten.
  • Actief integratiebeleid in de randgemeenten, inclusief versterking van Nederlandstalig onderwijs, kinderopvang en cultureel aanbod.

Bewezen: De doelstelling van faciliteiten, tijdelijke ondersteuning om integratie te bevorderen, is aantoonbaar mislukt: in gemeenten waar sinds 1963 faciliteiten gelden, is de verfransing alleen maar toegenomen. Daarom kiest HART niet voor nieuwe uitzonderingen maar voor vaste taalgebieden, naar Zwitsers model, waar kantons hun taal strikt handhaven, met als resultaat een stabiel meertalig evenwicht. (Vlaamserand, DOCU Vlaamse Rand, Adjunct van de Gouverneur)


Standpunt 8: EEN NULDE STAATSHERVORMING

België heeft zes staatshervormingen achter de rug (1970, 1980, 1988-89, 1993, 2001, 2011-2014), telkens volgens hetzelfde patroon: bevoegdheden overhevelen van federaal naar deelstaten, meer instellingen toevoegen, en de complexiteit verhogen. Het resultaat is een institutionele lasagne: zes regeringen, een kunstmatig onderscheid tussen gewesten en gemeenschappen, en een Brussel dat als overlap-zone tussen beide structuren gevangen zit. HART kan niet blijven zwijgen over de fundamenteelste politieke vraag in België: wat is de toekomst van de Belgische staat? Maar HART neemt geen ideologische positie in het communautaire debat. HART hanteert één criterium: wat werkt het best voor de burger?

Feiten:

  • Zes staatshervormingen (1970, 1980, 1988-89, 1993, 2001, 2011-2014) volgden telkens een centrifugaal patroon: meer entiteiten, meer complexiteit (Apache, Belgischegrondwet.be).
  • Artikel 195 GW werd openverklaard in de herzieningsverklaring van mei 2024 (Kamer 8 mei, Senaat 17 mei, Belgisch Staatsblad 27 mei), waardoor de legislatuur 2024-2029 de herzieningsprocedure zelf kan wijzigen. Na elke verkiezing kan dat enkel als het artikel opnieuw openverklaard werd (Senaat).
  • "België met vier" (onder meer het Institut Destrée): voorstel om het onderscheid tussen gewesten en gemeenschappen af te schaffen en te vervangen door 4 deelstaten: Vlaanderen, Wallonië, Brussel-Hoofdstad en Ostbelgien.
  • Grondwetsherziening vereist: herzieningsverklaring (gewone meerderheid), ontbinding en verkiezingen, dan 2/3 meerderheid met 2/3 aanwezigheid in elke kamer (Belgischegrondwet.be, VRT NWS).

Wat we gaan doen:

  • Pleiten voor een nulde staatshervorming: niet een zevende hervorming die het centrifugale patroon voortzet, maar een fundamentele vereenvoudiging van de institutionele architectuur vanuit een rationele analyse, niet vanuit communautaire spelletjes.
  • Het eindmodel volgt uit een rationele analyse van wat werkt: het kantonmodel. Twaalf deelstaten met hoge autonomie (de tien provincies, Brussel en Ostbelgien), onderwijs, taal, omroep en kinderbijslag per taalgroep in een bindend concordaat, één rangorde van normen, en een Raad van de Deelstaten die bij meerderheid beslist, zonder taalveto. Geen "België met vier": twee blokken blokkeren elkaar, twaalf partners vormen per dossier een andere coalitie. Versnipperde bevoegdheden worden homogene pakketten: federaal, concurrerend met een federaal kader dat de deelstaten uitvoeren, of deelstaat. De versnippering is onhoudbaar (zie HART-hoofdstukken Staatshervorming en Subsidiariteit).
  • De herzieningsprocedure zelf vereenvoudigen: twee derden in de Kamer en daarna een verplichte burgerstemming, met een meerderheid van de kiezers en van de deelstaten, zonder herzieningsverklaring en zonder ontbinding. Zo worden structurele hervormingen niet langer gegijzeld door procedurele blokkades.

Standpunt 9: INSTITUTIONELE SANERING: specifieke instellingen hervormen

Naast de structurele hervormingen uit de HART-hoofdstukken Staatshervorming en Subsidiariteit (de provincies als deelstaten, gemeentefusies, de Senaat vervangen door de Raad van de Deelstaten, intercommunales rationaliseren, één energieregulator) zijn er concrete instellingen die hervorming, fusie of rationalisering behoeven.

Feiten:

  • NMBS/Infrabel: gesplitst in drie entiteiten in 2005 (NMBS, Infrabel, NMBS-Holding), teruggebracht tot twee in 2014 (NMBS-Holding opgeheven); coördinatieproblemen, dubbele ondersteunende diensten, dalende stiptheid. Frankrijk bracht infrastructuur en exploitatie opnieuw samen in één publieke SNCF-groep (hervorming van 2014, sinds 1 januari 2020 een geïntegreerde groep met SNCF Réseau en SNCF Voyageurs als dochters); het VK besliste infrastructuur en exploitatie samen te brengen in Great British Railways. Het EU Vierde Spoorwegpakket vereist wel dat de infrastructuurbeheerder onafhankelijk blijft in zijn essentiële functies, maar laat een holdingstructuur toe (Légifrance, EUR-Lex).
  • 176 politiezones (2026): oorspronkelijk 196 bij de oprichting op 1 januari 2001. De Kamer keurde in mei 2026 de fusie van de zes Brusselse zones tot één zone goed, operationeel vanaf 2027 en uiterlijk op 1 januari 2028, met €65 miljoen federale steun (FOD Binnenlandse Zaken, BRUZZ).
  • OCMW-integratie: in Vlaanderen afgerond op 1 januari 2019 onder het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017. Verbeterde sociale dienstverlening en administratieve vereenvoudiging. Wallonië en Brussel hebben niet gevolgd (Vlaams Parlement).
  • Federaal Planbureau: voerde pas zijn tweede verkiezingsdoorrekening uit in 2024 (na 2019). Het Nederlandse CPB beschikt over aanzienlijk meer capaciteit en rekent alle verkiezingsprogramma's systematisch door sinds 1986 (VRT NWS).
  • Adviesraden: naar raming van HART ruim 250 federale adviesorganen (er bestaat geen officiële telling), plus de adviesraden van de deelstaten, met overlappende bevoegdheden en onduidelijke impact op beleidsbeslissingen.

Wat we gaan doen:

  • NMBS en Infrabel maximaal integreren binnen de grenzen van het EU Vierde Spoorwegpakket: gezamenlijk bestuur, fusie van ondersteunende diensten (HR Rail gaat op als gedeelde dienst in de holding), geïntegreerde planning. Waar de EU scheiding vereist, ten minste een holdingstructuur met één aansturingspunt.
  • Eén politiekorps per deelstaat, twaalf in totaal in plaats van 176 politiezones, naast de federale politie. Elke gemeente behoudt haar wijkcommissariaat en wijkinspecteurs, als lokale afdeling van het deelstaatkorps. De Brusselse fusie van 6 naar 1 zone is het model.
  • OCMW overal geïntegreerd in de gemeente, ook in Wallonië en Brussel. De Vlaamse ervaring toont aan dat het werkt.
  • Adviesraden doorlichten en rationaliseren: samenvoeging waar overlap bestaat, afschaffing waar geen aantoonbare beleidsimpact is, en een transparant overzicht van welke raden bestaan en wat ze kosten.
  • Het Federaal Planbureau versterken tot een volwaardige tegenhanger van het Nederlandse CPB, met voldoende capaciteit voor systematische doorrekening van alle verkiezingsprogramma's en beleidsvoorstellen. Het versterkte Planbureau levert daarnaast verplichte onafhankelijke impactanalyses vóór elk besluit van de Raad van de Deelstaten met budgettaire of maatschappelijke impact. Naar Zweeds "remiss"-model. (Zie ook: HART-hoofdstuk Digitale Overheid, Standpunt 9.)
  • Sunset-mandaten koppelen aan doorlichting: bij elke instelling die uit de spending review komt, worden topbenoemingen automatisch omgezet naar sunset-mandaten met publieke KPI's (zie Standpunt 2). Geen doorlichting zonder consequenties voor de top. Australië past automatische sunset clauses toe op zijn secundaire wetgeving: die vervalt in principe na tien jaar tenzij ze expliciet hernieuwd wordt. Canada evalueert elk lopend subsidieprogramma om de vijf jaar. België doet geen van beide.

Bewezen: De Vlaamse OCMW-integratie (2019) leidde tot betere afstemming van lokaal sociaal beleid en minder administratieve overhead, hoewel culturele integratieuitdagingen blijven. De Brusselse politiezonefusie werd in 2026 wettelijk beslist: vanaf 1 januari 2028 telt Brussel één politiezone. Frankrijk bracht SNCF opnieuw samen in één geïntegreerde groep (sinds 1 januari 2020) om de coördinatieproblemen van de splitsing op te lossen. Het Nederlandse CPB becijfert sinds 1986 alle verkiezingsprogramma's onafhankelijk en is een hoeksteen van het Nederlandse begrotingsbeleid. Australië past automatische sunset clauses toe op zijn secundaire wetgeving; Canada verplicht een vijfjaarlijkse evaluatie van elk lopend subsidieprogramma. (Zie ook: HART-hoofdstuk De Efficiënte Staat, principes 9 en 13.) (Vlaams Parlement, Kamer, Légifrance, VRT NWS)


Samenvatting

De Belgische overheid is niet te groot omdat Belgen te veel vragen van hun staat. Ze is te groot omdat de institutionele architectuur kosten vermenigvuldigt zonder resultaten te vermenigvuldigen. Zes regeringen, ongeveer 1.800 kabinetsmedewerkers, ruim 1,1 miljoen mensen bij de overheid en in het onderwijs en overheidsuitgaven van 54,1% van het bbp (2024) leveren een dienstverlening op die niet in verhouding staat tot de prijs. Op de IMD-ranglijst zakte België naar de 32e plaats (2026), en voor overheidsefficiëntie staat het 42e: zijn zwakste punt. De overheidsschuld stijgt bij ongewijzigd beleid richting 123% van het bbp in 2031.

HART wil geen besparingsretoriek en geen communautaire spelletjes. HART wil een overheid die werkt. Dat begint met saneren door efficiëntie: elke instelling doorlichten op kerntaken, investeren in digitalisering en automatisering, en pas daarna met minder mensen werken, naar het voorbeeld van de Canadese Program Review, waarna de federale schuldquote in een tiental jaar met ongeveer dertig procentpunten daalde. Het betekent het kabinettensysteem ontmantelen en vervangen door een professionele, meritocratische ambtenarij naar Nederlands en Nieuw-Zeelands model, met een onafhankelijk benoemingsorgaan, sunset-mandaten van vijf jaar met publieke KPI's voor alle topbenoemingen, en hoogstens vijf politieke medewerkers per minister. Het betekent radicaal digitaliseren naar Estlands kompas: een X-Road-interoperabiliteitsplatform naar Ests voorbeeld (dat in Estland ongeveer 3,7 miljard bevragingen per jaar verwerkt), één digitale brievenbus met digitaal als standaard, en een once-only-principe dat alle bestuursniveaus bindt. Samen goed voor €10 miljard besparingspotentieel per jaar.

Begrotingsdiscipline vergt spelregels die werken: meerjarige uitgavenplafonds naar Zweeds model, een schuldanker van 90% bbp als tienjarendoelstelling, een schuldenrem voor elke overheid met de Hoge Raad van Financiën als waakhond, en een versterkt Federaal Planbureau dat alle verkiezingsprogramma's onafhankelijk becijfert vóór de kiezer naar het stemhokje gaat. Transparantie vergt permanente digitale verantwoording: een live dashboard per minister met elke uitgave boven €500, rode vlaggen die automatisch op de parlementaire agenda komen, continue décharge per beleidsprogramma, publieke adviezen van de Inspectie van Financiën, en een Rekenhof met uitgebreide jurisdictie en afdwingbare aanbevelingen. Democratische vernieuwing vergt een landelijke kieskring voor een deel van de Kamer en de meeste voorkeurstemmen als maatstaf, zonder opvolgers of lijststemmen die de kiezerswil vertekenen.

Op institutioneel vlak pleit HART voor een nulde staatshervorming. Geen zevende hervorming die het bestaande patroon voortzet, maar een fundamentele vereenvoudiging: het kantonmodel, met twaalf deelstaten, een Kamer van 60, een Raad van de Deelstaten zonder taalveto, en een grondwet die alleen verandert met twee derden in de Kamer en een ja van de burger. Het eindmodel volgt uit rationele analyse, niet uit ideologie. Concreet betekent dit ook: één politiekorps per deelstaat in plaats van 176 politiezones, het OCMW overal geïntegreerd, NMBS en Infrabel maximaal samenvoegen, adviesraden saneren, sunset-mandaten koppelen aan elke doorgelichte instelling, en de taalfaciliteiten behouden als prijs voor het einde van de taalveto's.

Landen met vergelijkbare of betere publieke diensten, zoals Nederland, Denemarken, Zwitserland en Estland, realiseren die tegen dramatisch lagere kosten. Niet omdat ze minder ambitieus zijn, maar omdat ze hun overheid hebben ontworpen voor efficiëntie in plaats van voor politieke accommodatie. Dat is het pad dat HART wil bewandelen.

België verdient een overheid die zo hard werkt als haar burgers. Kleiner waar het kan. Slimmer waar het moet. Eerlijk altijd. Dat is geen ideologie. Dat is gezond verstand.