arrow_back Alle partijpunten
Partijpunt 24 van 30

Gezondheidszorg

Van zes naar drie federale gezondheidsinstellingen, met één minister.

Kernprincipe

België geeft 11,1% van het bbp uit aan gezondheidszorg (2024), ruim boven het OESO-gemiddelde van 9,3%. De federale ziekteverzekering alleen kost €46,8 miljard (2026). Maar het land krijgt daar niet de efficiëntie voor terug die burgers en belastingbetalers verdienen. Het systeem wordt beheerd door overlappende instellingen die elk hun eigen personeel, IT en kantoren onderhouden. De vijf grote ziekenfondsen bezitten €6,1 miljard aan vermogen, terwijl ze jaarlijks ongeveer €1,4 miljard aan werkingskosten ontvangen. De fraudedetectie vindt jaarlijks hooguit €16 à 18 miljoen op een geschatte verspilling van miljarden. Generische geneesmiddelen worden te weinig voorgeschreven. En bijna 550.000 Belgen zijn langer dan een jaar arbeidsongeschikt (eind 2024), met psychische problemen als grootste oorzaak: het aantal invaliden door depressie of burn-out steeg met 43% op vijf jaar. Het prestatiegerichte betalingsmodel beloont volume, niet gezondheid: het drijft overbehandeling, verspilling en kosten op, terwijl volgens de OESO tot een vijfde van de gezondheidsuitgaven weinig of niets bijdraagt aan betere gezondheid. HART wil een gezondheidszorg die even efficiënt georganiseerd is als de zorg die ze levert: minder instellingen, meer digitalisering, strenger tegen fraude, slimmer met geneesmiddelen, eindelijk serieus over mentale gezondheid, en zorg die draait rond de mens, niet rond de ziekte.


Feiten en cijfers

Feit Cijfer Bron
RIZIV-begroting ziekteverzekering €45,2 miljard (2025), €46,8 miljard (2026) RIZIV
Gezondheidsuitgaven als % bbp 11,1% (2024; OESO-gemiddelde: ~9,3%) OESO Health Statistics
Uitgaven per capita €4.570 (2023), bijna 20% boven het EU-gemiddelde (€3.832) OESO/Europees Observatorium, Country Health Profile 2025
Eigen bijdrage patiënten (out-of-pocket) 22% van de gezondheidsuitgaven (2023; EU-gemiddelde: 16%) OESO/Europees Observatorium, Country Health Profile 2025
Preventie-uitgaven minder dan 2% van de gezondheidsuitgaven (2023; EU-gemiddelde: 4%) OESO/Europees Observatorium, Country Health Profile 2025
Werkingskosten ziekenfondsen (RIZIV-vergoeding) €1,48 miljard (2025, waarvan €1,39 miljard voor de vijf landsbonden), €1,53 miljard (2026); ongeveer +15% voor de landsbonden tussen 2023 en 2025 RIZIV-begroting
Vermogen ziekenfondsen €6,1 miljard bij de vijf grote ziekenfondsen (ruim €5,2 miljard beleggingen, €350 miljoen liquide middelen, ongeveer €500 miljoen vastgoed) HLN-onderzoek, december 2025
Winst hospitalisatie- en tandverzekering ziekenfondsen €335 miljoen per jaar, op €1,1 miljard premies HLN-onderzoek, december 2025
Opgespoorde onterechte aanrekeningen (RIZIV-inspectie) €18,3 miljoen (2023, record), waarvan €8 miljoen fraude; €15,86 miljoen (2025), waarvan €4,3 miljoen fraude RIZIV, activiteitenverslagen DGEC
Geschatte verspilling in gezondheidszorg (internationaal) tot een vijfde van de uitgaven OESO, Tackling Wasteful Spending on Health (2017)
Marktaandeel generische geneesmiddelen (volume) 38% van de verpakkingen in openbare apotheken (2023; 26% in 2012), onder het EU-gemiddelde en ver onder Nederland OESO/Europees Observatorium, Country Health Profile 2025
Langdurig zieken door burn-out/depressie ongeveer 148.000 personen, een kwart van alle invaliden (eind 2024); uitkeringen meer dan €2,5 miljard (2024) RIZIV
Stijging burn-out/depressie-invaliditeit personen +43% en uitgaven +78% tussen 2019 en 2024; uitgaven +12% in één jaar RIZIV
Wachttijd psychiater (Vlaamse privépraktijken) minstens 3 maanden bij meer dan de helft; 60,5% neemt geen nieuwe patiënten aan Bevraging wachttijden Vlaamse privépraktijken (2021)
Wachttijd CGG jeugd ~100 dagen gemiddeld, tot 7 maanden in sommige regio's (2022) Vlaams Parlement, antwoord op een parlementaire vraag
Zelfmoordcijfer België 13,5 per 100.000 (2023; EU-27: 10,4) Eurostat
Psychiatrische bedden per 100.000 inwoners 140 (2024; hoogste van de EU; EU-gemiddelde: 71, Zweden: 38, Italië: 8) Eurostat
FAVV-personeel en budget ~1.330 medewerkers en ~630 zelfstandigen belast met opdracht (2026); €228 miljoen uitgaven (2024), waarvan €115 miljoen federale dotatie FAVV, structuur en organigram; Activiteitenverslag 2024
FAVV controles 2024 107.508 missies, 67.592 stalen, 85% conform FAVV, Activiteitenverslag 2024
Sociale inspectiediensten 5 federale diensten (na hervorming 2017, was 8) SIOD / FOD WASO
België e-Health EU-score 100% (maximumscore in 2024 én 2025 studie) EU Digital Decade eHealth Indicator
Elektronische voorschriften Verplicht sinds 1 januari 2020; papieren bewijs niet meer nodig sinds 15 september 2021 (Recip-e) RIZIV / Recip-e
UK NHS Talking Therapies 1,8 miljoen verwijzingen en 670.000 afgeronde behandelingen per jaar, herstel 50,5% (2024-25) NHS England
Deens gratis psycholoogprogramma 18–24 jaar Zelfmoordpogingen -25% (18–20 jaar), mannen uit lage-inkomensgebieden -45% Syddansk Universitet, Health Economics (2022)
US Medicare fraudebestrijding HHS-OIG: $7,13 miljard verwachte recuperaties (FY2024); HCFAC-rendement: $2,80 per dollar (2021-2023) HHS-OIG / HCFAC
Nederlands preferentiebeleid generica Prijzen generieke middelen gemiddeld -85%; besparing honderden miljoenen euro per jaar Nederlandse ramingen (VWS, GIPeilingen)
NZ PHARMAC Een van de laagste farmaceutische uitgaven per inwoner in de OESO OESO / PHARMAC

Standpunt 1: Zes federale gezondheidsinstellingen worden drie: van chaos naar structuur

Feiten

België beheert zijn gezondheidszorg federaal via zes instellingen, verdeeld over twee ministers (Volksgezondheid en, voor het FAVV, Landbouw), en over alle bestuursniveaus heen zijn tot negen ministers bevoegd voor gezondheid: een internationaal unicum. De FOD Volksgezondheid organiseert het zorgsysteem, berekent ziekenhuisbudgetten (Budget van Financiële Middelen), verleent erkenningen aan zorgprofessionals en coördineert de dringende geneeskundige hulpverlening. Het RIZIV beheert de ziekteverzekering (€46,8 miljard in 2026), bepaalt terugbetalingstarieven via de nomenclatuur, onderhandelt conventies met zorgverleners en voert fraudecontroles uit. Daarnaast opereren het FAGG (geneesmiddelentoezicht), Sciensano (onderzoek), KCE (kenniscentrum) en het FAVV (voedselveiligheid). Beide kerninstellingen werken aan ziekenhuisbeleid (de FOD berekent budgetten die uit het RIZIV-budget worden gefinancierd), kwaliteitsmeting en beheer van zorgprofessionals.

Sinds maart 2021 delen de FOD Volksgezondheid, het RIZIV en het FAGG het Galilei-gebouw in Brussel. Een "Redesign van de Gezondheidsadministraties" creëerde geïntegreerde teams. Maar een echte fusie blijft uit door verschillende juridische statuten (het RIZIV is een sociale parastatale met sociaal overleg; de FOD valt onder direct ministerieel gezag), verschillende personeelsstatuten en vakbondsweerstand. De voormalige directeur-generaal Gezondheidszorg van de FOD werd eind 2025 benoemd tot administrateur-generaal van het RIZIV: een personele brug, maar geen institutionele.

Het kernprobleem van het RIZIV is dat het pakketbeheer (welke zorg wordt terugbetaald?) en het toezicht (controle en fraudebestrijding) in dezelfde organisatie zitten, met zorgverleners die via het overlegmodel meebeslissen over hun eigen tarieven. De jaarrekeningen 2019, 2020 en 2021 werden jaren te laat goedgekeurd, die van 2021 pas in april 2024, en geven volgens het Rekenhof "geen getrouw beeld" van het vermogen, de financiële toestand en de resultaten. De inspectiedienst spoorde in 2025 voor €15,86 miljoen aan onterechte aanrekeningen op: 0,035% van het budget van €45,2 miljard.

Wat we gaan doen

  • Van zes naar drie federale gezondheidsinstellingen, met één minister. De lappendeken van zes instellingen wordt geherstructureerd tot drie heldere entiteiten met elk een afgebakende opdracht:
  • Federaal Gezondheidsagentschap: fusie van de FOD Volksgezondheid (luik gezondheid) met de beleidsmatige functies van het FAGG (geneesmiddelentoezicht) en het KCE (kenniscentrum). Eén organisatie die beleid, financiering, geneesmiddelentoezicht en kennisopbouw combineert. Het luik Leefmilieu van de FOD wordt een apart agentschap. DG Dier/Plant/Voeding gaat naar het FAVV.
  • Belgisch Zorginstituut (naar Nederlands Zorginstituut Nederland-model): onafhankelijk evidence-based pakketbeheer. Bepaalt welke zorg wordt terugbetaald op basis van wetenschappelijk bewijs, niet op basis van corporatistisch overleg. De nomenclatuur wordt vereenvoudigd van duizenden codes naar bundled payments. Bij die herijking wordt de historisch scheve verhouding tussen disciplines rechtgetrokken: de best vergoede technische disciplines (klinische biologie, genetica, radiologie) verdienen een veelvoud van de laagst vergoede disciplines die vooral op contacttijd steunen, een kloof die niet te verklaren is vanuit werklast of verantwoordelijkheid. Een eerlijke nomenclatuur vergoedt intellectuele zorg en contacttijd evenwaardig met technische prestaties. Dit is geen aanval op artsen en geen inkomensplafond, maar het herstel van een eerlijke prijszetting die de houdbaarheid van de solidaire financiering beschermt (debatpunt: de artsensyndicaten zullen zich hiertegen verzetten).
  • Belgische Zorgautoriteit (naar Nederlands NZa-model): onafhankelijk toezicht, fraudebestrijding en marktwerking. De data-capaciteit van het IMA (gegevens van alle verzekerden) wordt hier ondergebracht, niet geprivatiseerd. Fraudedetectie opschalen van 0,035% naar minimaal 1% van het budget: een doel van ongeveer €450 miljoen per jaar. Jaarrekeningen verplicht binnen 6 maanden met accountantsverklaring.
  • Eén loket voor zorgverleners: erkenning, nomenclatuur, conventionering en controle vanuit gecoördineerde structuur. Geen dubbele rapporteringslijnen meer.
  • Ziekenhuisfinanciering vereenvoudigen: de berekening (bij de FOD) en de betaling (bij het RIZIV) van het BFM komen in één hand bij het Gezondheidsagentschap, wat afstemming versnelt en tegenstrijdige prikkels elimineert.
  • Einde aan de 9-ministerstructuur: maximaal 2 niveaus bevoegd voor gezondheid. Eén federaal minister, deelstaten bevoegd voor preventie en de organisatie van de eerstelijnszorg (concurrerend, art. 28 HART-grondwet).
  • Overgangsperiode van 3 jaar met geharmoniseerd personeelsstatuut. Geen gedwongen ontslagen. Efficiëntiewinst via natuurlijk verloop en digitalisering.

Bewezen in: Nederland (Zorginstituut Nederland + Nederlandse Zorgautoriteit: heldere scheiding tussen pakketbeheer en toezicht), Denemarken (geïntegreerd zorgsysteem via een beperkt aantal regio's, één minister), Estland (één Tervisekassa als zorgverzekeraar, direct geïntegreerd met overheidszorgbeleid).


Standpunt 2: Sociale inspectiediensten samenvoegen tot één dienst

Feiten

België telt vijf federale sociale inspectiediensten, teruggebracht van acht na de hervorming van 2017, toen de Sociale Inspectie van de FOD Sociale Zekerheid opging in de RSZ-Inspectie. De RSZ-Inspectie controleert sociale bijdragen. Het Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) van de FOD WASO handhaaft het arbeidsrecht. De RVA-Inspectie bewaakt werkloosheidsfraude. De Dienst voor Administratieve Controle (DAC) van het RIZIV controleert fraude aan de kant van de rechthebbenden. De directie Eerlijke Concurrentie (ECL) van het RSVZ dekt de zelfstandigen. De SIOD coördineert maar inspecteert niet zelf.

Alle vijf diensten delen bevoegdheden rond DIMONA-aangiften, LIMOSA en sociale documenten, wat structurele overlapping creëert. Sociale fraude is zelden beperkt tot één domein. Iemand die zwartwerkt terwijl hij een invaliditeitsuitkering ontvangt, raakt aan zowel het DAC als de RSZ-Inspectie. Fusies zijn geen garantie op succes: veel organisatiefusies halen hun doelen niet. Maar de efficiëntieargumenten blijven dwingend.

Wat we gaan doen

  • Eén Federale Sociale Inspectiedienst oprichten die alle bestaande bevoegdheden bundelt: bijdragecontrole, arbeidswetcontrole, werkloosheidsfraude, zorgfraude en zelfstandigencontrole. Eén directie, één IT-systeem, gedeelde databanken, gezamenlijke acties.
  • Geïntegreerde dossiers: een inspecteur die een bedrijf bezoekt, controleert alle domeinen tegelijk, niet in vijf afzonderlijke bezoeken door vijf diensten.
  • SIOD omvormen van coördinator naar operationele leiding van de nieuwe geïntegreerde dienst.

Bewezen in: Nederland (Nederlandse Arbeidsinspectie: één dienst voor arbeidsomstandigheden, eerlijk werk en arbeidsmarktfraude), Denemarken (Arbejdstilsynet: één nationale arbeidsinspectie).


Standpunt 3: Ziekenfondsen hervormen: ontzuiling van de gezondheidszorg

Feiten

België telt 21 ziekenfondsen in 5 landsbonden (juni 2026), plus de publieke HZIV en de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail. De vijf landsbonden kregen in 2025 €1,39 miljard voor het beheer van de verplichte ziekteverzekering, alle verzekeringsinstellingen samen €1,48 miljard (€1,53 miljard in 2026). Tussen 2023 en 2025 steeg de vergoeding voor de landsbonden met ongeveer 15%, of circa 7% per jaar.

Een onderzoek van HLN (december 2025) bracht het vermogen van de vijf grote ziekenfondsen in kaart: €6,1 miljard. Daarvan zit ruim €5,2 miljard in beleggingen, €350 miljoen in liquide middelen en ongeveer €500 miljoen in vastgoed, waaronder hotels in Zwitserland, Oostenrijk en Frankrijk. De CM bezit alleen al €2,4 miljard. Hospitalisatie- en tandverzekeringen brengen €1,1 miljard per jaar aan premies op, met €335 miljoen winst die aan de reserves wordt toegevoegd, zonder vennootschapsbelasting: ziekenfondsen vallen onder de rechtspersonenbelasting.

Het belangenconflict is structureel: ziekenfondsen zijn tegelijk openbare betalers (terugbetalingen verwerken), medebeslissers in RIZIV-commissies (budgetten goedkeuren), en commerciële verzekeraars (hospitalisatiepolissen verkopen). Adviserende artsen werken voor het ziekenfonds maar beoordelen de arbeidsongeschiktheidsclaims van hun eigen leden. Een fonds dat te streng is, riskeert leden te verliezen.

Wat we gaan doen

  • Einde van de zuilen: de historische band met de christelijke, socialistische en liberale zuil hoort niet thuis in een publieke betaalfunctie. Ziekenfondsen worden depolitiseerd. Geen partijpolitieke benoemingen meer, geen structurele banden met zuilgebonden organisaties.
  • Verplichte ziekteverzekering centraliseren bij het Belgisch Zorginstituut: de kerntaak van terugbetalingen verwerken wordt overgeheveld naar het Zorginstituut. Automatische verwerking op basis van e-facturatie en eHealthBox-data, zonder tussenkomst van ziekenfondsen.
  • Adviserende artsen onafhankelijk maken: zij worden aangesteld door de Belgische Zorgautoriteit, niet door het ziekenfonds. Einde aan het belangenconflict bij arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
  • Ziekenfondsen uit de beslissingsorganen van het Zorginstituut: wie het geld beheert, beslist niet mee over de besteding. Ziekenfondsen verliezen hun stemrecht in de akkoordencommissies en het Verzekeringscomité.
  • Commerciële activiteiten afsplitsen: hospitalisatie- en aanvullende verzekeringen worden onderworpen aan dezelfde regels als private verzekeraars. Inclusief vennootschapsbelasting, prudentieel toezicht door de Nationale Bank en gedragstoezicht door de FSMA, en een verbod op kruissubsidiëring met verplichte verzekeringsgelden.
  • Overgangsperiode van 5 jaar: geleidelijke overdracht, hertewerkstelling van personeel, en audit van het €6,1 miljard vermogen om vast te stellen welk deel met publieke middelen is opgebouwd.

Bewezen in: Estland (Tervisekassa: één openbare verzekeraar, ongeveer 95% van de bevolking verzekerd, zorguitgaven ongeveer 7,5% bbp in 2023, geen tussenschakels), Denemarken (ziekenfondsen afgeschaft in 1973, belastinggefinancierd systeem, automatische dekking voor alle inwoners), Verenigd Koninkrijk (NHS: geen tussenpersonen tussen financiering en zorgverlening). Waarschuwing uit: Nederland (stelselherziening 2006 met private zorgverzekeraars: vier concerns beheersen samen ongeveer 85% van de markt, 2026).


Standpunt 4: Persoonsvolgende financiering: het geld volgt de mens, niet de voorziening

Feiten

De Vlaamse zorgsector werkt nog grotendeels via aanbodfinanciering: subsidies gaan rechtstreeks naar erkende voorzieningen op basis van toegekende plaatsen, niet op basis van wat de individuele zorgvrager nodig heeft. Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) ondersteunde in 2025 107.439 mensen. Het persoonsvolgend budget (PVB) werd in 2017 ingevoerd na jarenlange voorbereiding, maar de transitie blijft halverwege steken. Eind 2025 stonden 17.889 mensen met een handicap op de wachtlijst in de prioriteitengroepen. Wie in prioriteitengroep 2 het langst wacht, staat er al sinds maart 2018; in prioriteitengroep 3 zelfs sinds 2002.

Het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (door België geratificeerd in 2009) verplicht in artikel 19 de overheid om mensen het recht te garanderen om zelfstandig en in de gemeenschap te leven, met de keuze van waar, met wie en hoe. Het VN-comité concludeerde in zijn opeenvolgende evaluaties van België dat dit verdrag onvoldoende wordt uitgevoerd: te veel mensen leven nog steeds in residentiële voorzieningen zonder reële keuzevrijheid, persoonsvolgende financiering bereikt te weinig mensen, en aanbodfinanciering blijft overheersen. Het boek De rekening van de verzuiling (Lannoo, 2014) documenteerde hoe de transitie naar persoonsvolgende financiering systematisch werd afgeremd door de gevestigde voorzieningen, omdat hun marktaandeel afhankelijk is van aanbodsubsidies. Meer dan tien jaar later zit de hervorming nog steeds vast.

Ter vergelijking: Nederland kent het persoonsgebonden budget (pgb) sinds 1995. In 2024 waren er meer dan 100.000 budgethouders, naast honderdduizenden mensen die kozen voor zorg in natura: een echte keuzemogelijkheid. Het Verenigd Koninkrijk werkt sinds 1996 met Direct Payments en Personal Budgets, geïntegreerd in de Care Act 2014. Australië bouwt sinds 2013 het National Disability Insurance Scheme (NDIS) op, met meer dan 770.000 deelnemers in 2026. Zweden voert sinds 1994 LSS Personlig assistans uit: individuele assistentie-uren toegekend per persoon.

Wat we gaan doen

  • Persoonsvolgende financiering als systeemkeuze, sectorbreed. Niet enkel voor personen met een handicap, maar uitgerold over alle Vlaamse zorg- en welzijnsdomeinen waar de cliënt rechtstreeks ondersteuning ontvangt: ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg, jeugdhulp, gezinszorg. De cliënt krijgt een budget op basis van een onafhankelijke ondersteuningsbeoordeling en kiest zelf bij wie hij dat besteedt: erkende voorziening, kleinschalige dienst, mantelzorgvergoeding of zelfgekozen ondersteuner.
  • Wachtlijst PVB wegwerken in vijf jaar. Het PVB-budget wordt jaarlijks substantieel verhoogd, gefinancierd door geleidelijke afbouw van aanbodsubsidies aan voorzieningen. Voorzieningen blijven bestaan en worden vergoed via de PVB's van hun cliënten. Wie de cliënt overtuigt, ontvangt het budget.
  • Onafhankelijke ondersteuningsbeoordeling. De inschaling gebeurt door een onafhankelijke instantie zonder belang bij het resultaat, niet door de voorziening zelf en niet door een koepel waar voorzieningen lid van zijn. Naar het Australische NDIS-model.
  • Vraagsturing wettelijk verankeren. Een nieuwe deelstaatwet "Recht op zorg en ondersteuning" legt vast dat publieke zorgmiddelen in principe persoonsvolgend worden toegekend, en dat aanbodfinanciering enkel een uitzondering is voor strikt afgebakende infrastructuurkosten en collectieve preventie.
  • VN-verdrag uitvoeren. De aanbevelingen van het VN-comité worden integraal omgezet in een actieplan met meetbare doelen op vijf jaar. Jaarlijkse rapportage aan de deelstaatparlementen en aan het VN-comité.
  • Geen privatisering, wel keuzevrijheid. PVB is geen voorbode van een commerciële zorgmarkt. De middelen blijven publiek, het tarief blijft gereglementeerd, en private winst op publieke zorgmiddelen blijft begrensd. Wat verandert, is wie kiest: de cliënt, niet de voorziening.

Bewezen in: Nederland (pgb sinds 1995, ruim 100.000 budgethouders), VK (Direct Payments / Care Act 2014), Australië (NDIS, 770.000+ deelnemers), Zweden (LSS Personlig assistans sinds 1994). Waarschuwing uit: Nederland (pgb-fraude in jaren 2010 leidde tot strenger toezicht; les: stevige controle op besteding zonder keuzevrijheid uit te hollen).


Standpunt 5: Welzijn op mensenmaat: weg met de zuilen in de Vlaamse zorg

Feiten

Het Vlaamse beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin heeft een begroting van ongeveer €18 miljard (2026). Een groot deel daarvan stroomt via aanbodsubsidies naar voorzieningen die historisch verbonden zijn met de katholieke, socialistische of liberale zuil. Bij de woonzorgcentra is een meerderheid private vzw, vaak verbonden aan een levensbeschouwelijke koepel; een aanzienlijk deel is openbaar (OCMW), en een minderheid is commercieel. In de kinderopvang voor baby's en peuters (Opgroeien, voorheen Kind en Gezin) telt Vlaanderen ongeveer 93.000 vergunde plaatsen (eind 2025), waarvan een meerderheid in het zogenaamde inkomenstarief en een minderheid zelfstandig met een vrij tarief: een sector die krimpt, mee door ongelijke financiering tussen gesubsidieerde en zelfstandige initiatieven. In de jeugdhulp stonden eind 2025 9.748 kinderen en jongeren op een wachtlijst voor niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Ondertussen blijft het residentieel aanbod (categoriale voorzieningen per probleem) sterk uitgebouwd, terwijl thuisbegeleiding en gezinsondersteuning chronisch ondergefinancierd zijn.

De zuilstructuur is geen folklore. Ze bepaalt wie subsidies krijgt, wie in welke koepel zit, wie in welke raad van bestuur, en welke voorzieningen kunnen groeien. De rekening van de verzuiling (2014) noemde dit de ijzeren wet van de oligarchie: het belang van de organisatie domineert op het belang van de cliënt. Het Rekenhof rapporteerde herhaaldelijk over gebrek aan transparantie in besturen en jaarrekeningen van gesubsidieerde welzijnsvoorzieningen. Schaalvergroting heeft veel kleinschalige initiatieven opgeslokt in steeds grotere koepels, met een groeiend gat tussen bestuurskamer en mensen op de werkvloer of de cliënten thuis.

Ter vergelijking: Denemarken organiseert ouderenzorg en gehandicaptenondersteuning lokaal via gemeenten van minimum 20.000 inwoners, met een sterk principe van wonen in de gemeenschap en thuisondersteuning vóór institutionele zorg. Zweden hanteert het LSS-principe ("zo gewoon mogelijk leven") en heeft het opzetten van nieuwe grote instellingen voor personen met een verstandelijke beperking sinds eind jaren negentig wettelijk afgebouwd. Finland voert een sterk decentralisatiebeleid voor welzijn naar 21 wellbeing services counties (sote-uudistus 2023), die zorg en sociaal beleid integreren.

Wat we gaan doen

  • Aanbodsubsidies omzetten in persoonsvolgende financiering in alle welzijnssectoren: VAPH, jeugdhulp, ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg. Concrete uitwerking volgt het regime uit Standpunt 4. Voorzieningen krijgen een transitieperiode van vijf tot acht jaar afhankelijk van de sector.
  • Transparantieplicht voor elke voorziening met publieke financiering. Volledige jaarrekeningen, bestuurssamenstelling en salarissen van directie en coördinatoren publiek raadpleegbaar in een centraal welzijnsregister. Voorzieningen die niet rapporteren, verliezen hun erkenning.
  • Onverenigbaarheden voor bestuurders. Wie zetelt in de raad van bestuur van een publiek gefinancierde welzijnsvoorziening, kan geen politiek mandaat combineren in de bevoegdheid die over die voorziening beslist. Geen schepen Welzijn in een OCMW-vzw die hij of zij financiert, geen parlementslid Welzijn in raden van bestuur van koepels die zijn deelstaatparlement subsidieert.
  • Cap op koepelschaal. Geen koepel of overkoepelend bestuursorgaan mag rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan een wettelijk te bepalen marktaandeel beheren in één sector (richtwaarde: 25% van het sectorbudget). Voorzieningen blijven juridisch zelfstandig met een eigen bestuur, eigen jaarrekening en eigen verantwoordelijkheid.
  • Kinderopvang: gelijke financiering ongeacht statuut. Zelfstandige en gesubsidieerde kinderopvang krijgen toegang tot dezelfde financieringskaders en tot het inkomenstarief, op basis van kwaliteits- en pedagogische criteria, niet op basis van organisatievorm. Erkenningsprocedures worden vereenvoudigd en transparant.
  • Lokaal voorrang. Gemeenten worden regisseur van de eerstelijnszorg en welzijnsvoorzieningen op hun grondgebied, met basisfinanciering per inwoner en bovenlokale specialismen op zorgregioniveau. Naar Deens model. Sluit aan bij het partijpunt Subsidiariteit.
  • Vrij initiatief beschermen. Erkenningsprocedures voor kleinschalige en innovatieve initiatieven (eigenwoonprojecten van personen met een handicap, kleinschalig wonen voor ouderen, gezinsgerichte jeugdhulp) worden vereenvoudigd. Tegen wachtlijsten helpt geen extra regel, alleen meer initiatief mogelijk maken.

Bewezen in: Denemarken (lokale regie, gemeentelijke welzijnsvoorzieningen), Zweden (LSS Personlig assistans, afbouw grote instellingen), Finland (sote-uudistus 2023, 21 wellbeing services counties).


Standpunt 6: E-gezondheid versnellen: alles elektronisch, alles verbonden

Feiten

België scoort 100% op de EU Digital Decade eHealth Indicator: de maximumscore in zowel de 2024- als de 2025-studie (EU-gemiddelde: 83%). Het eHealth-platform verwerkt miljarden transacties per jaar. Bijna de hele bevolking gaf geïnformeerde toestemming voor elektronische gegevensdeling (ongeveer 10,7 miljoen mensen in 2023, via opt-in). Elektronische voorschriften zijn verplicht sinds 1 januari 2020 via Recip-e; sinds 15 september 2021 is geen papieren bewijs meer nodig. Het SUMEHR gedeeld patiëntendossier is beschikbaar voor miljoenen patiënten via het hub/metahub-systeem.

Maar achter de 100%-score schuilt een genuanceerder beeld. De score meet vooral de technische infrastructuur, niet het gebruik in de praktijk. Dossiers bevatten vaak onvolledige probleemlijsten en medicatiegegevens, de gegevensuitwisseling met woonzorgcentra loopt stroef en patiënten moeten hun weg zoeken tussen verschillende portalen. Elektronische ziektebriefjes (Mult-eMediatt) gaan sinds 1 januari 2026 verplicht naar het ziekenfonds, maar alleen bij arbeidsongeschiktheid van meer dan 14 dagen; de werkgever krijgt het attest nog op papier.

Ter vergelijking: Estland lanceerde het elektronische voorschrift begin 2010; het raakte zeer snel ingeburgerd en intussen wordt 99% van de voorschriften elektronisch uitgeschreven. Volgens de Estse overheid is 99% van de gezondheidsgegevens digitaal, en elke inwoner raadpleegt zijn dossier via één patiëntenportaal (digilugu.ee). In Finland gebruikten 3,3 miljoen mensen het patiëntenportaal MyKanta in 2024, op een bevolking van 5,7 miljoen. Denemarken bundelt dossier, laboresultaten en verwijzingen in één portaal, sundhed.dk.

Wat we gaan doen

  • Elektronische ziektebriefjes verplichten voor alle werknemers, ook bij korte afwezigheid en ook naar de werkgever. Arts verstuurt digitaal naar het Belgisch Zorginstituut en de werkgever in één handeling. Geen papieren attest meer.
  • Gedeeld elektronisch patiëntendossier als standaard: elk zorgcontact voegt automatisch gegevens toe aan het centrale dossier. Patiënt beslist via opt-out wie toegang krijgt. Kwaliteitsnormen voor SUMEHR's afdwingen met terugbetalingsconsequenties.
  • 100% digitale facturatie: alle zorgverleners factureren elektronisch aan het Belgisch Zorginstituut. Papieren getuigschriften voor verstrekte hulp uitfaseren binnen de eerste legislatuur. Dit maakt real-time data-analyse en fraudedetectie mogelijk.
  • Patiëntportaal uitbouwen naar Ests model (digilugu.ee): mijngezondheid.be wordt de centrale toegangslaag op de Belgische X-Road (zie Digitale Overheid, standpunt 2). Eén portaal waar burger en zorgverlener de volledige medische historiek, voorschriften, laboresultaten, afspraken en terugbetalingen raadplegen. Data blijft bij de bronhouder (huisarts, ziekenhuis, apotheker), geen centrale opslagdatabase. Geen honeypot, wel één geïntegreerd beeld voor patiënt en arts.
  • Federatief, geen private kluis per patiënt: de architectuur is helder. Data blijft bij de authentieke bron (huisartsendossier, ziekenhuis, apotheker, labo), niet in een centrale databank én niet in een private kluis die alleen de patiënt beheert. Toegang verloopt via de aantoonbare therapeutische relatie, met audit trail. De patiënt kan zijn dossier raadplegen en onrechtmatige toegang traceren, maar de data blijft bruikbaar voor populatiezorg, onderzoek en volksgezondheid. Dat noemen we data-solidariteit: het zorgsysteem staat of valt met data die ook buiten de individuele patiëntrelatie bruikbaar blijft voor epidemiologie, kwaliteitsbewaking en pandemic response. Geen Solid-pod-model, geen centrale honeypot, wel gecontroleerde interoperabiliteit via standaarden.

Bewezen in: Estland (e-voorschrift sinds 2010, intussen 99% elektronisch; 99% gezondheidsdata digitaal; blockchain-beveiliging), Finland (MyKanta: 3,3 miljoen gebruikers in 2024), Denemarken (sundhed.dk: één portaal voor dossier, laboresultaten en verwijzingen).


Standpunt 7: Fraude en verspilling aanpakken: van €18 miljoen naar miljarden

Feiten

De RIZIV-inspectiedienst (DGEC) spoorde in 2023 voor €18,3 miljoen aan onterechte aanrekeningen op: een record, maar nog geen 0,05% van het zorgbudget van dat jaar (ongeveer €40 miljard). Daarvan was €8 miljoen fraude en de rest administratieve fouten of een verkeerde lezing van de regels. In 2025 ging het om €15,86 miljoen, waarvan €4,3 miljoen fraude, na 334 afgeronde onderzoeken, veel minder dan de 871 van 2023. De DGEC erkent zelf dat er meer frauderisico's worden geïdentificeerd dan er onderzoeksdossiers geopend kunnen worden: een duidelijk capaciteitsprobleem.

Het OESO-rapport Tackling Wasteful Spending on Health (2017) concludeert dat tot een vijfde van de gezondheidsuitgaven weinig of niets bijdraagt aan betere gezondheid. Eén op de tien patiënten loopt tijdens de behandeling schade op door vermijdbare fouten, tot 50% van de antibioticavoorschriften is onnodig, en grote geografische verschillen in ingrepen zoals hartoperaties en knieprothesen wijzen op aanbodgedreven zorg.

Ter vergelijking: de Britse NHS Counter Fraud Authority schat dat £1,35 miljard per jaar kwetsbaar is voor fraude (0,72% van het NHS-budget) en haalde in 2024-25 £196,8 miljoen aan resultaten binnen, waarvan meer dan £28 miljoen via data-analyse en machine learning (Project Athena). Het Amerikaanse HHS-OIG rapporteerde $7,13 miljard aan verwachte recuperaties in FY2024; het HCFAC-programma behaalde een rendement van $2,80 per geïnvesteerde dollar (2021-2023). De Amerikaanse National Health Care Anti-Fraud Association schat het verlies door fraude conservatief op 3% van de zorguitgaven, en overheidsdiensten tot 10%. Toegepast op het Belgische budget van €45 miljard is dat €1,35 tot 4,5 miljard. De OESO-verspillingsschatting van een vijfde zou op datzelfde budget €9 miljard betekenen.

Wat we gaan doen

  • Investeren in data-gedreven fraudedetectie: de fraudedetectie van de Belgische Zorgautoriteit substantieel uitbreiden met 100+ data-analysten, uitgerust met moderne AI-tools naar Amerikaans model (CMS Fraud Prevention System: elke Medicare-claim gescreend vóór betaling).
  • ProHealth-platform uitbreiden: zorgverleners krijgen inzicht in hun facturatiepatronen vergeleken met vakgenoten. Significante afwijkingen triggeren automatisch een audit.
  • Patiënt als medebewaker: elke patiënt kan via mijngezondheid.be alle aan zijn naam gefactureerde prestaties raadplegen. Onbekende prestaties kunnen met één klik gemeld worden.
  • Big data inzetten: het IMA-databestand (gegevens van alle verzekerden), de KSZ-kruispuntbank en het eHealth-platform verbinden tot een geïntegreerd analysesysteem dat patronen detecteert: doctor shopping, spookfacturatie, onnodige procedures. Vóór betaling, niet erna.
  • Transparantie bij bewezen fraude: namen van veroordeelde fraudeurs publiek maken (naar Amerikaans model). RIZIV-nummer automatisch schorsen bij tuchtrechtelijke sanctie door de Orde.
  • Ethisch kader: elke algoritmische fraudedetectie wordt openbaar geaudit, met menselijke eindcontrole bij individuele beslissingen. Privacy via pseudonimisering door vertrouwde derde partij (KSZ-model). GDPR-conform onder Recital 47 (fraudepreventie als gerechtvaardigd belang).

Bewezen in: VS (National Health Care Fraud Takedown 2025: 324 verdachten voor $14,6 miljard aan beoogde fraude, waarvan $10,6 miljard in één operatie; CMS hield meer dan $4 miljard aan frauduleuze betalingen tegen; HHS-OIG: $7,13 miljard verwachte recuperaties in FY2024), VK (NHS Counter Fraud Authority: £196,8 miljoen aan resultaten in 2024-25, waarvan meer dan £28 miljoen via data-analyse en machine learning).


Standpunt 8: Generische geneesmiddelen verplichten: het Nederlandse model

Feiten

Generische geneesmiddelen waren in 2023 goed voor slechts 38% van de verpakkingen die openbare apotheken afleverden, tegenover 26% in 2012. Dat is nog altijd minder dan het EU-gemiddelde en veel minder dan in Nederland.

Het probleem is structureel: België's prijssysteem legt verplichte prijsdalingen op die gelijk gelden voor zowel het origineel als het generisch alternatief, waardoor het prijsverschil minimaal blijft. Voorschrijven op stofnaam (INN) is vrijwillig en blijft een minderheid. De quota voor goedkoop voorschrijven meten of een geneesmiddel "goedkoop" is, niet of het generisch is. Artsen kunnen merkproducten blijven voorschrijven en toch aan de quota voldoen.

Nederland's preferentiebeleid, operationeel sinds 2005–2008, laat zorgverzekeraars toe één voorkeursgeneesmiddel per werkzame stof aan te wijzen. Apotheken moeten dit voorkeursmiddel afleveren; enkel medische noodzaak rechtvaardigt een uitzondering. Resultaat: de prijzen van de belangrijkste generieke middelen daalden gemiddeld 85%, goed voor een besparing van honderden miljoenen euro per jaar. Keerzijde: fabrikanten trekken zich terug van de Nederlandse markt als hun middel niet als voorkeursmiddel wordt aangewezen, wat de kwetsbaarheid voor geneesmiddelentekorten vergroot.

Nieuw-Zeeland's PHARMAC opereert als enige inkoper voor alle publiek gefinancierde geneesmiddelen via competitieve tenders, en Nieuw-Zeeland heeft een van de laagste farmaceutische uitgaven per inwoner in de OESO. Denemarken's AMGROS haalde in 2024 bijna DKK 10 miljard (ongeveer €1,3 miljard) aan besparingen bij ziekenhuisgeneesmiddelen.

Wat we gaan doen

  • Voorschrijven op stofnaam (INN) verplichten voor alle geneesmiddelen waarvoor een generisch alternatief bestaat. De apotheker levert het goedkoopste beschikbare generiek af, tenzij de arts een gemotiveerde medische uitzondering noteert.
  • Preferentiebeleid invoeren naar Nederlands model: het Belgisch Zorginstituut wijst per werkzame stof een voorkeursgeneesmiddel aan op basis van prijs. Periodieke herziening via transparante aanbestedingen.
  • Prijskloof vergroten: verplichte prijsdalingen voor originele middelen na patentverlies moeten steiler en sneller dan voor generica, zodat een echte prijsprikkel ontstaat.
  • Ziekenhuisinkoop centraliseren: naar Deens AMGROS-model, één centrale inkooporganisatie voor alle Belgische ziekenhuizen die via competitieve tenders inkoopt. Potentiële besparing: honderden miljoenen per jaar.
  • Beschikbaarheidsbewaking: een leveringsplicht voor producenten die aan de Belgische markt willen leveren, met boetes bij ongemotiveerde terugtrekking. Strategische voorraden voor essentiële geneesmiddelen.

Bewezen in: Nederland (preferentiebeleid: generische prijzen -85%, besparingen van honderden miljoenen euro per jaar), Nieuw-Zeeland (PHARMAC: een van de laagste farmaceutische uitgaven per inwoner in de OESO via competitieve tenders), Denemarken (AMGROS: bijna DKK 10 miljard bespaard op ziekenhuisgeneesmiddelen in 2024), Duitsland (gecombineerde instrumenten: Festbetrag, Rabattverträge, apotheekkorting en eigen bijdragen).


Standpunt 9: Mentale gezondheid: van verwaarloosde crisis naar nationale prioriteit

Feiten

België kampt met een mentale gezondheidscrisis van ongeziene omvang. Eind 2024 waren 549.996 mensen langer dan een jaar arbeidsongeschikt (invaliditeit), van wie 38,19% door een psychische stoornis. Bij 70,31% daarvan gaat het om depressie of burn-out: ongeveer 148.000 mensen, een kwart van alle invaliden. De uitkeringen daarvoor bedroegen in 2024 meer dan €2,5 miljard, 12% meer dan een jaar eerder en 78% meer dan in 2019; het aantal personen steeg in die vijf jaar met 43%. Bij wie jonger is dan 30 steeg het aantal in 2024 alleen al met 20,9%. De terugkeer naar werk na langdurige afwezigheid blijft uiterst moeilijk.

De toegang tot psychologische hulp is dramatisch ontoereikend. In Vlaamse privépraktijken heeft meer dan de helft van de psychiaters een wachttijd van minstens 3 maanden en neemt 60,5% geen nieuwe patiënten aan. In Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg wachtten jongeren gemiddeld ongeveer 100 dagen (2022), met uitschieters tot 7 maanden. België heeft een van de hoogste zelfmoordcijfers in West-Europa: 13,5 per 100.000 inwoners (2023), tegenover een EU-gemiddelde van 10,4. Bij jongeren is zelfdoding een van de belangrijkste doodsoorzaken.

De RIZIV-conventie voor eerstelijnspsychologische zorg (sinds september 2021) biedt terugbetaalde sessies via 32 netwerken geestelijke gezondheid. Kinderen en jongeren tot en met 23 jaar betalen niets. Volwassenen betalen €11 per individuele sessie (€4 met verhoogde tegemoetkoming). Maar slechts ongeveer 20% van de erkende klinisch psychologen is bij het RIZIV geregistreerd, en de meesten slechts deeltijds: België telt 12,5 erkende klinisch psychologen per 10.000 inwoners, maar slechts 2,5 per 10.000 zijn RIZIV-geregistreerd (2022). Er zijn 1,7 praktiserende psychiaters per 10.000 inwoners (2021), minder dan het EU-14-gemiddelde van 2,1.

Paradoxaal genoeg heeft België het hoogste aantal psychiatrische ziekenhuisbedden van de EU: 140 per 100.000 inwoners (2024), bijna het dubbele van het EU-gemiddelde. Een aanzienlijk deel van die bedden is bezet door patiënten die met adequate ambulante ondersteuning buiten het ziekenhuis behandeld zouden kunnen worden.

Wat we gaan doen

  • Harde HART-belofte: binnen één legislatuur heeft elke Belg binnen 4 weken toegang tot een geconventioneerde eerstelijnspsycholoog. Dat is de meetlat waaraan alle maatregelen hieronder getoetst worden.
  • RIZIV-conventie verdubbelen: budget voor eerstelijnspsychologische zorg verdubbelen zodat minstens 50% van de klinisch psychologen kan conventioneren. Sessielimiet verhogen van 8–20 naar 20–30 per jaar voor ernstige gevallen.
  • Gratis psychologische hulp voor jongeren uitbreiden tot 25 jaar (in de conventie tot en met 23 jaar), en de Deense aanpak overnemen: Denemarken's gratis psycholoogprogramma (in 2018 gestart voor 18–20-jarigen, later uitgebreid tot 24 jaar) leidde tot een bijna verdubbeling van het gebruik van psychologische hulp, een daling van zelfmoordpogingen met 25% bij 18–20-jarigen, en bij mannen uit lage-inkomensgebieden zelfs 45%.
  • Stepped-care model invoeren naar Brits IAPT/NHS Talking Therapies-model: laagdrempelige begeleide zelfhulp als eerste stap, opschaling naar CBT bij onvoldoende resultaat. Sessie-per-sessie uitkomstmeting als standaard. Het VK kreeg hiermee 1,8 miljoen verwijzingen en rondde 670.000 behandelingen af in 2024-25, met een herstelratio van 50,5%.
  • Ambulante capaciteit verhogen, bedden afbouwen: het hoogste aantal psychiatrische bedden van de EU is geen teken van goede zorg maar van een gebrek aan ambulante alternatieven. Middelen verschuiven van intramurale naar ambulante en mobiele teams (2B-teams uitbreiden).
  • Preventie op school en op het werk: laagdrempelige psychologische ondersteuning in elke school, niet beperkt tot het CLB maar aangevuld met schoolpsychologen. Verplicht welzijnsbeleid op de werkvloer met vroegdetectie van burn-out (re-integratietrajecten versterken en versnellen).
  • Eenzaamheid als volksgezondheidsprobleem erkennen: nationale strategie naar Brits model (Minister for Loneliness sinds 2018, nationale meetstrategie, sociale voorschrijving door huisartsen) en Fins model.
  • Digitale tools als aanvulling: online therapieprogramma's en AI-ondersteunde triage valideren en integreren als aanvulling op face-to-face zorg, niet als vervanging.

Bewezen in: Denemarken (gratis psycholoog 18–24: gebruik bijna verdubbeld, zelfmoordpogingen -25% bij 18–20-jarigen, bij mannen uit lage-inkomensgebieden -45%), Verenigd Koninkrijk (IAPT/NHS Talking Therapies: 670.000 afgeronde behandelingen per jaar, herstelratio 50,5% in 2024-25, data-gedreven kwaliteitsbewaking), Australië (Better Access: miljoenen Medicare-vergoede sessies per jaar, maar een waarschuwing: een studie in het Australian and New Zealand Journal of Psychiatry (2018) vond geen meetbaar effect op de psychische gezondheid van de bevolking, wat het belang van kwaliteitsmeting toont), VK (Minister for Loneliness sinds 2018: nationale strategie, sociale voorschrijving, £11 miljoen Building Connections Fund).


Standpunt 10: FAVV onder Volksgezondheid: voedselveiligheid is geen landbouwbeleid

Feiten

Het FAVV (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) telt ongeveer 1.330 medewerkers (2026), plus ongeveer 630 zelfstandige dierenartsen en andere experten belast met opdracht, en gaf in 2024 €228 miljoen uit, waarvan €115 miljoen gefinancierd door de federale dotatie en de rest door heffingen en retributies van de sector. In 2024 voerde het 107.508 controlemissies uit bij bijna 58.000 bedrijven, analyseerde het 67.592 laboratoriumstalen (98% conform) en rapporteerde het een globale conformiteitsgraad van 85%. Het FAVV werd opgericht in 2000 na de dioxinecrisis van 1999, die de versnipperde verantwoordelijkheden tussen Landbouw en Volksgezondheid blootlegde. De controlediensten van beide ministeries werden toen in het FAVV samengebracht.

Het FAVV valt doorgaans onder de minister van Landbouw, niet van Volksgezondheid. Dit creëert een structureel belangenconflict: het ministerie dat landbouwproductie promoot, exportmarkten beschermt en landbouwinkomens ondersteunt, is tegelijk verantwoordelijk voor de veiligheid van de voedselketen. De fipronilcrisis (2017), waarbij het FAVV wekenlang de publieke waarschuwing uitstelde, en het Veviba-vleesschandaal (2018) illustreerden de risico's. Sinds 2026 moet het FAVV besparen: volgens cijfers die op zijn raadgevend comité werden voorgesteld ongeveer 13% (€15 miljoen) in 2026, oplopend tot 24% tegen 2029. De bevoegde minister betwist die omvang.

Het Verenigd Koninkrijk richtte in 2000 de Food Standards Agency (FSA) op als een expliciet onafhankelijk niet-ministerieel departement, precies omdat het ongepast werd geacht dat één ministerie tegelijk verantwoordelijk was voor de gezondheid van de landbouwindustrie én voor voedselveiligheid. De FSA werkt onafhankelijk van ministers en legt verantwoording af aan het parlement.

Wat we gaan doen

  • FAVV onder de bevoegdheid van de minister van Volksgezondheid brengen. Voedselveiligheid is een kwestie van volksgezondheid, niet van landbouwbelang.
  • Operationele onafhankelijkheid versterken: het FAVV krijgt een onafhankelijk bestuur, geselecteerd door de kamer bestuur van het Onafhankelijk Benoemingsorgaan (art. 38 HART-grondwet), los van politieke druk van de landbouwsector. Naar het model van de Britse FSA.
  • Meldplicht bij voedselveiligheidincidenten wettelijk verankeren met strikte termijnen: maximaal 48 uur tussen detectie en publieke waarschuwing. Geen herhaling van de wekenlange vertraging bij de fipronilcrisis.
  • Budget beschermen: de besparingen op het FAVV terugdraaien en het agentschap een stabiel meerjarenbudget geven. Bezuinigen op voedselveiligheid is een vals besparingsmodel: één voedselcrisis kost meer dan jaren FAVV-budget.

Bewezen in: Verenigd Koninkrijk (FSA: onafhankelijk agentschap sinds 2000, legt verantwoording af aan het parlement, expliciet opgericht om het belangenconflict tussen landbouw en gezondheid weg te nemen), Nederland (NVWA: valt onder Landbouw, met verantwoording aan Volksgezondheid voor voedselveiligheid: een compromismodel).


Standpunt 11: De eerste lijn versterken: de huisarts als kern van de zorg

Feiten

België leunt sterk op het ziekenhuis: 32% van de gezondheidsuitgaven gaat naar ziekenhuisopnames, tegenover 28% gemiddeld in de EU (2023), en preventie krijgt minder dan 2%. Dat botst met de internationale consensus dat een sterke eerste lijn de basis vormt van een betaalbaar en toegankelijk zorgsysteem. De WHO, de OESO, de Europese Commissie en de grote vergelijkende studies (QUALICOPC, 34 landen) zeggen allemaal hetzelfde: landen met een sterke eerste lijn hebben minder spoedopnames, minder hospitalisaties, minder ongelijkheid in gezondheid, en lagere totale kosten.

In Vlaanderen heeft de overgrote meerderheid een vaste huisarts en een ruime meerderheid een Globaal Medisch Dossier. De infrastructuur staat er dus, maar ze wordt niet gebruikt als echte toegangspoort. Patiënten kunnen in België rechtstreeks naar de specialist. Dat leidt tot dubbele onderzoeken, lange wachtlijsten voor specialistische zorg, en spoedopnames die overstromen met problemen die een huisarts even goed kan oplossen.

Het betalingsmodel beloont vooral losse prestaties. De huisarts verdient per raadpleging, niet per kwaliteitsvolle begeleiding. Dat ontmoedigt samenwerking met verpleegkundigen en kinesitherapeuten, stimuleert shopgedrag bij patiënten, en werkt preventie tegen. Het Kenniscentrum (KCE-rapport 85A) vergeleek het met het forfaitaire systeem van de wijkgezondheidscentra, waar een kleine minderheid van de bevolking is ingeschreven, en concludeerde: praktijken met forfaitaire betaling bereiken kwetsbaardere groepen, genereren in totaal niet meer kosten, en scoren beter op preventie en rationeel voorschrijven.

Het knelpunt is niet het aantal huisartsen, maar hoe hun tijd wordt benut. In België is 34% van de artsen huisarts, tegenover 19% gemiddeld in de EU (2023). Toch loopt de eerste lijn vast, omdat huisartsen een groot deel van hun tijd besteden aan taken waarvoor ze overgekwalificeerd zijn. Het conjuncturele tekort is bovendien deels zelf veroorzaakt: een plotse instroompiek in de opleiding leidt veertig jaar later tot een versnelde uitstroompiek. Het startquotum drastisch optrekken (Vlaanderen liet in 2024 1.723 studenten geneeskunde toe, tegenover 1.600 een jaar eerder) herhaalt die fout en heeft pas een decennium later effect.

In Vlaanderen bestaan 60 eerstelijnszones (75.000 tot 125.000 inwoners per zone), opgericht na de Eerstelijnsconferentie van 2017. Ze bestaan op papier, maar hebben onvoldoende middelen en bevoegdheden om de zorg echt te organiseren.

Wat we gaan doen

  • Elke burger schrijft zich in bij een eerstelijnsnetwerk (5.000 tot 10.000 ingeschreven burgers per netwerk). Dat netwerk bundelt huisartsen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten, apothekers, thuiszorg, tandartsen, psychologen en maatschappelijk werk. Vrije keuze blijft behouden binnen het netwerk. Wie wil veranderen, verandert van huisarts. Het Globaal Medisch Dossier wordt automatisch de inschrijving.
  • 60 Vlaamse eerstelijnszones volwaardig uitrollen: met budget, personeel en echte bevoegdheden. Zones die beter presteren op gezondheidsdoelstellingen krijgen extra innovatiemiddelen. In Brussel komen 8 zones.
  • Echelonnering invoeren: specialistische zorg enkel via verwijzing door de eerste lijn. Korte verwijzing (acuut, diagnostisch) maximum 2 maanden, lange verwijzing (chronisch) maximum 6 maanden. Dit werkt de wachtlijsten voor specialisten weg en spaart miljarden aan overbodig specialistisch onderzoek uit.
  • Huisartsenwachtposten als standaard buiten kantooruren: van 19u tot 8u en in het weekend. Liefst op de ziekenhuiscampus. Het nummer 1733 wordt het nationale triagenummer. Minstens 25% van de spoedopnames wordt afgebouwd. De spoedopname wordt globaal gefinancierd, niet per prestatie.
  • Transitie naar een gemengd betalingsmodel voor huisartsen in 10 jaar: van ongeveer 80% prestatie naar 60% forfaitaire betaling (per ingeschreven patiënt, gecorrigeerd voor leeftijd, ziektelast en sociale factoren), 30% prestatie en 10% pay-for-quality. Volledig elektronische derde betaler: geen eigen bijdrage meer in de eerste lijn. Dat haalt de financiële drempel weg die vooral kwetsbare groepen verhindert om op tijd naar de huisarts te gaan.
  • Verpleegkundige in de huisartspraktijk (VIHP): financiering voor één voltijds verpleegkundige per 1.500 ingeschreven patiënten. De huisarts kan zich focussen op wat alleen een arts kan doen. De verpleegkundige neemt chronische opvolging, preventie, vaccinatie en triage over. Samen met de nieuwe praktijkassistent (KB 26 november 2023) is dit de echte hefboom tegen de krapte: niet meer artsen opleiden, maar de bestaande artsentijd vrijspelen voor wat enkel een arts kan. Omdat er ook een tekort en een retentieprobleem bij verpleegkundigen bestaat, ligt voor het administratieve werk de nadruk op de praktijkassistent: een medisch-administratieve kracht die geen verpleegkundige is en de arts ontlast zonder de schaarse verpleegkundigen weg te trekken. Een goed georganiseerd team met duidelijke rollen verlaagt bovendien de werkdruk, en verlaagde werkdruk is zelf een van de sterkste hefbomen om verpleegkundigen in de zorg te houden.
  • Stabiele, schokvrije artsenplanning, geen jojo. Het startquotum wordt op een vast, gelijkmatig niveau gehouden in plaats van met sprongen op te trekken, want plotse instroompieken creëren veertig jaar later een uitstroompiek. In een stabiel scenario volstaat de opleiding van ongeveer 350 à 400 huisartsen per jaar (debatpunt: inschatting op basis van het werk van de federale Planningscommissie, te valideren). De snelle winst zit in taakherschikking, niet in een numerieke inhaalbeweging die pas een decennium later effect heeft.
  • Steun en vestigingspremies naar huisartsarme buurten. Het knelpunt is de spreiding, niet het totale aantal. Gerichte vestigings- en ondersteuningspremies (voortbouwend op het bestaande Impulseo-mechanisme) en voorrang bij praktijkondersteuning gaan naar de zones met de hoogste nood, zodat artsen zich daar vestigen. Dat lost de lokale krapte op zonder blind meer diploma's uit te reiken.
  • Koppeling met buurtgerichte zorg: eerstelijnszones krijgen een structurele verbinding met buurtwerk, welzijn en thuiszorg via sociale regisseurs naar Gent-model. Eenzaamheid, armoede en sociale isolatie zijn bewezen gezondheidsdeterminanten: niet elk probleem is medisch. De sociale regisseur is de schakel die de huisarts koppelt aan buurtwerk, maaltijden aan huis, sociaal netwerk en OCMW. Subsidiariteit in actie.

Bewezen in: Estland (Tervisekassa + verplichte inschrijving bij een huisarts, sterke echelonnering), Nederland (huisarts als poortwachter, mix van capitatie en prestatie), Denemarken (verplichte inschrijving, multidisciplinaire eerste lijn die het gros van de zorgvragen afhandelt), Finland (sterke eerste lijn via gezondheidscentra met teams van huisartsen en verpleegkundigen), Portugal (Unidades de Saúde Familiar: teams van huisartsen met prestatiegebonden extra's).


Samenvatting

De Belgische gezondheidszorg levert goede klinische resultaten maar tegen excessieve kosten, via versnipperde instellingen die zich verzetten tegen rationalisering. HART identificeert elf concrete hervormingssporen die elk bewezen zijn in landen die het beter doen.

De eerste twee hervormingen raken de institutionele architectuur. De zes federale gezondheidsinstellingen worden drie: een Federaal Gezondheidsagentschap (fusie FOD Volksgezondheid + FAGG + KCE) voor beleid en financiering, een onafhankelijk Belgisch Zorginstituut voor evidence-based pakketbeheer, en een Belgische Zorgautoriteit voor toezicht en fraudebestrijding, naar Nederlands model. Eén federale minister in plaats van twee, en een einde aan de negen ministers over alle niveaus heen. De vijf sociale inspectiediensten, elk met eigen personeel, IT en bevoegdheden die structureel overlappen, worden gebundeld tot één slagkrachtige inspectie. Nederland toont hoe een heldere scheiding tussen pakketbeheer en toezicht werkt.

De derde hervorming is de meest politiek geladen maar economisch noodzakelijk: de ontzuiling van de ziekenfondsen. Met ongeveer €1,4 miljard aan werkingskosten voor de vijf landsbonden, die circa 7% per jaar groeien, €6,1 miljard aan opgestapeld vermogen, en een structureel belangenconflict tussen hun rol als openbare betaler, medebeslisser en commerciële verzekeraar, zijn de ziekenfondsen rijp voor fundamentele hervorming. HART kiest voor centralisatie van de verplichte verzekering bij het Belgisch Zorginstituut, onafhankelijke adviserende artsen, en gelijke spelregels voor de commerciële activiteiten van ziekenfondsen.

De vierde en vijfde hervorming zetten de mens centraal in de Vlaamse zorg en het welzijn. Persoonsvolgende financiering wordt de regel in alle sectoren waar de cliënt rechtstreeks ondersteuning krijgt, met een onafhankelijke inschaling en een wachtlijst voor het persoonsvolgend budget die binnen vijf jaar verdwijnt. Tegelijk verdwijnen de zuilen uit de welzijnssector: transparantieplicht, onverenigbaarheden voor bestuurders, een plafond op de schaal van koepels en gelijke financiering voor kinderopvang, ongeacht het statuut.

De zesde en zevende hervorming zijn technologisch en financieel de meest rendabele. België's e-gezondheidsscore van 100% verbergt dat elektronische ziektebriefjes nog niet naar de werkgever gaan, dat patiëntendossiers vaak onvolledig zijn en dat patiënten hun weg moeten zoeken tussen verschillende portalen. Estland, Finland en Denemarken laten zien dat volledige digitalisering (elektronische voorschriften, gedeelde dossiers, patiëntportalen) niet alleen de zorg verbetert maar ook fraudedetectie structureel mogelijk maakt. Gecombineerd met big data-analyse naar Amerikaans model (waar het HHS-OIG $7,13 miljard aan verwachte recuperaties rapporteerde in FY2024) kan België miljarden aan verspilling en fraude aanpakken, waar de inspectie jaarlijks hooguit €16 à 18 miljoen aan onterechte aanrekeningen opspoort tegenover een geschatte €1,35–4,5 miljard aan fraude.

De achtste hervorming betreft het geneesmiddelenbeleid. Generische geneesmiddelen zijn in België goed voor slechts 38% van de verpakkingen in de apotheek (2023), onder het EU-gemiddelde en ver onder Nederland. Het Nederlandse preferentiebeleid deed de prijzen van generieke middelen gemiddeld met 85% dalen; Nieuw-Zeeland's PHARMAC haalt via competitieve tenders een van de laagste farmaceutische kosten per inwoner in de OESO. Verplicht voorschrijven op stofnaam en een centraal inkoopsysteem voor ziekenhuizen zijn bewezen instrumenten die België weigert in te zetten.

De negende hervorming raakt een snel groeiende gezondheidscrisis: mentale gezondheid. Met ongeveer 148.000 mensen in invaliditeit door burn-out en depressie (uitkeringen: meer dan €2,5 miljard in 2024, 12% meer dan een jaar eerder), wachttijden van maanden, en een van de hoogste zelfmoordcijfers in West-Europa, schiet het beleid ronduit tekort. Denemarken's gratis psycholoogprogramma voor jongeren verminderde zelfmoordpogingen bij 18–20-jarigen met 25%. Het Britse IAPT-programma rondt 670.000 behandelingen per jaar af met een herstelratio van 50,5%. HART wil de RIZIV-conventie verdubbelen, een stepped-care model invoeren, en ambulante capaciteit uitbouwen ten koste van het hoogste aantal psychiatrische bedden van de EU.

De tiende hervorming brengt het FAVV onder Volksgezondheid in plaats van Landbouw: een structureel belangenconflict dat door elke voedselcrisis wordt blootgelegd.

De elfde en meest structurele hervorming zet de eerste lijn centraal. België leunt sterk op het ziekenhuis en besteedt minder dan 2% van de gezondheidsuitgaven aan preventie, terwijl internationale vergelijkende studies van WHO en OESO aantonen dat een sterke eerste lijn de kern is van een efficiënt zorgsysteem. HART schrijft elke burger in bij een eerstelijnsnetwerk, rolt de 60 Vlaamse eerstelijnszones volwaardig uit, voert echelonnering in (specialist enkel via huisarts, wat wachtlijsten wegwerkt), en maakt huisartsenwachtposten de norm buiten kantooruren met een reductie van 25% van de spoedopnames. De huisartspraktijk krijgt een verpleegkundige per 1.500 patiënten. En het betalingsmodel wordt op 10 jaar omgeschakeld van 80% prestatie naar 60% forfaitaire betaling per ingeschreven patiënt, met volledige elektronische derde betaler: geen financiële drempels meer in de eerste lijn.


Goede zorg verdient een efficiënt systeem. HART kiest voor minder instellingen, meer digitalisering, strenger tegen fraude, slimmer met geneesmiddelen, eindelijk serieus over de mentale gezondheid van onze bevolking, en een sterke eerste lijn als toegangspoort. Elke euro die we besparen op bureaucratie, investeren we in betere zorg. Zorg die draait rond de mens, niet rond de ziekte.