Partijprogramma Pensioenen. HART Federale verkiezingen 2029
Op basis van OESO Pensions at a Glance 2025, Mercer CFA Institute Global Pension Index 2024, Studiecommissie voor de Vergrijzing 2024/2025, Europese Commissie Ageing Report 2024, Federale Pensioendienst Jaarverslag 2024, en de Deense, Nederlandse en Zweedse pensioenmodellen
Onze diagnose: een systeem dat niet overleefd zonder hervorming
België scoort 40,1 op 100 voor pensioenhoudbaarheid in de Mercer CFA Institute Global Pension Index 2024. Slechts acht landen van 48 scoren lager. We scoren hoog op wat we vandaag geven (toereikendheid: 81,8/100), maar dramatisch op de vraag of we dat kunnen blijven doen.
De cijfers verklaren waarom:
De pensioenuitgaven bedroegen in 2024 circa €69,4 miljard (Federale Pensioendienst): meer dan een kwart van alle overheidsuitgaven. Zonder hervorming stijgen ze met +2,5 procentpunt van het bbp tegen 2070 (Studiecommissie voor de Vergrijzing 2024). Samen met de gezondheidszorg (+2,6 pp) betekent dit een totale vergrijzingskost van +4,1 procentpunt bbp equivalent aan €25 miljard per jaar in huidige waarde.
De effectieve uittredeleeftijd bedraagt 61 à 62 jaar (OESO, 2024): vier tot vijf jaar onder de wettelijke pensioenleeftijd van 66, en twee tot drie jaar onder het OESO-gemiddelde (64,7 jaar voor mannen, 63,6 jaar voor vrouwen). De overgrote meerderheid van de Belgen gaat vóór de wettelijke leeftijd met pensioen.
De verhouding werkenden-gepensioneerden daalt van 1,8:1 vandaag naar 1,3:1 in 2070. Elke toekomstige werknemer moet dus voor steeds meer gepensioneerden betalen.
De staatsschuld bedraagt 104,7% van het bbp (€643 miljard). Het begrotingstekort is 4,4-4,6% van het bbp. Zonder consolidatie stijgt de schuld naar 113-119% tegen 2029.
België telt vandaag 2,62 miljoen gepensioneerden die samen 4,3 miljoen pensioenen ontvangen (veel Belgen combineren pensioenen uit meerdere stelsels). En 41% van alle gepensioneerden ontvangt een minimumpensioen. Bewijs dat het huidige systeem zelfs na een volledige loopbaan onvoldoende oplevert voor veel werknemers.
De kern: Het probleem is niet dat Belgen te vroeg stoppen met werken. Het probleem is dat het systeem ze daartoe aanmoedigt, de rekening doorschuift naar de volgende generatie, en tegelijkertijd te weinig oplevert voor wie het nodig heeft.
Het Arizona-akkoord: wat al verandert: en waar HART verder gaat
De Arizona-regering (2025) nam belangrijke stappen die HART steunt. De hervorming halveert de projectie van de vergrijzingskost voor pensioenen van +2,5 naar +0,9 procentpunt bbp en bespaart circa €3 miljard tegen 2029. De belangrijkste maatregelen:
Ambtenarenpensioenen worden berekend op basis van de volledige loopbaan in plaats van de laatste tien jaar. Ingefaseerd tot 2062 (+1 jaar referteperiode per jaar vanaf 2027). De perequatie (koppeling aan actieve loonsverhogingen) wordt afgeschaft. Preferentiële tantièmes worden vervangen door het standaard 1/60.
Bonus-malussysteem vanaf 2027: wie vroeger stopt, krijgt een definitieve korting van 2-5% per jaar. Wie langer werkt, krijgt 2-5% bonus per extra jaar. Dit is de stok én de wortel die België nodig had.
Gelijkgestelde periodes worden geplafonneerd op 40% van de loopbaan (2027), dalend naar 20% (2031). Ziekte, zorgverlof en zwangerschapsrust blijven volledig beschermd.
Vroegpensioen bij spoorwegen (55 jaar) en defensie (56 jaar) wordt jaarlijks met één jaar opgetrokken tot de algemene pensioenleeftijd.
HART steunde deze richting al vóór ze beleid werd. Nu willen we verder. Naar een structureel houdbaar systeem dat niet bij elke regeerperiode opnieuw moet worden heronderhandeld.
1. Dynamische pensioenleeftijd: automatisch, transparant, eerlijk
Het probleem
De wettelijke pensioenleeftijd stijgt naar 67 in 2030. En blijft dan staan. Maar de levensverwachting stijgt door: van circa 82,4 jaar vandaag naar circa 87-89 jaar in 2070 (Federaal Planbureau). Elke vijf jaar dat de pensioenleeftijd gelijk blijft terwijl de levensverwachting stijgt, kost de schatkist miljarden. Het IMF berekende dat een dynamische koppeling de Belgische pensioenkost met circa 2 procentpunt van het bbp verlaagt tegen 2070. De individueel meest impactvolle maatregel.
Wat werkt elders
Tien landen koppelen de pensioenleeftijd al aan de levensverwachting. Twee modellen bestaan:
Denemarken (volledige koppeling): elk jaar extra levensverwachting = één jaar langer werken. In mei 2025 stemde het Deens parlement om de pensioenleeftijd te verhogen naar 70 jaar tegen 2040. De formule wordt om de vijf jaar herberekend, met 15 jaar aankondigingstijd. Geprojecteerd: 74 jaar in 2070. Zonder deze koppeling zou Denemarken een tekort van ~2% bbp hebben.
Nederland (tweederde-koppeling): voor elke 12 maanden extra levensverwachting stijgt de AOW-leeftijd met 8 maanden. De resterende 4 maanden zijn extra pensioentijd. Huidige AOW-leeftijd: 67; volgende verhoging (naar 67 jaar en 3 maanden) in 2028.
Concreet voorstel
- Wettelijke verankering van een automatische koppeling naar het tweederde-model (Nederlands): van elke 12 maanden stijging in levensverwachting op 65 gaat 8 maanden naar arbeid en 4 maanden naar pensioen. Dit is eerlijker dan de Deense 1:1-koppeling omdat burgers ook méér pensioentijd krijgen naarmate ze langer leven. De Deense Pensioencommissie (2022) adviseerde zelf om naar een 80/20-verdeling over te stappen.
- Herberekening om de vijf jaar door het Federaal Planbureau, op basis van de meest recente bevolkingsprojecties.
- Aankondiging minstens tien jaar op voorhand zodat burgers zich kunnen voorbereiden.
- Verhoging in stappen van drie maanden geen plotselinge sprongen.
- Wettelijke ondergrens van 67 jaar. De leeftijd kan niet dalen, alleen stijgen.
Op basis van de huidige projecties zou de Belgische pensioenleeftijd onder dit model uitkomen op circa 68 jaar rond 2040, 69-69,5 jaar rond 2050 en 70-70,5 jaar rond 2070.
Waarom dit werkt: Het systeem past zich automatisch aan de realiteit aan. Geen politicus hoeft het impopulaire besluit te nemen. Het is wiskundig verankerd. Denemarken bewijst dat het politiek haalbaar is: de koppeling wordt al bijna twintig jaar breed gesteund door het hele politieke spectrum.
2. Eén systeem voor iedereen: geen voorkeursbehandeling
Het probleem
België kent drie parallelle pensioenstelsels met fundamenteel verschillende regels: werknemers (60% van het referentieloon), ambtenaren (75% van het referentieloon), en zelfstandigen (historisch het laagste). Het gemiddelde ambtenarenpensioen bedraagt €3.458 bruto per maand meer dan het dubbele van het werknemerspensioen (€1.677) en bijna het driedubbele van het zelfstandigenpensioen (€1.222). Het wettelijk maximum ambtenarenpensioen bedraagt €8.129 bruto per maand (geïndexeerd mei 2024).
Het Arizona-akkoord begint met de convergentie (loopbaangemiddelde in plaats van laatste tien jaar, afschaffing tantièmes), maar behoudt de 75%-formule voor ambtenaren. HART wil deze convergentie versnellen en voltooien.
Concreet voorstel
- Eén pensioenformule voor iedereen op lange termijn. Of je nu werknemer, zelfstandige of ambtenaar bent. Dezelfde bijdragejaren, dezelfde berekeningswijze, hetzelfde plafond. Nederland schafte het aparte ambtenarenpensioen af in 1996. Zweden en Denemarken hanteren hetzelfde stelsel voor iedereen.
- Versnelling van de Arizona-convergentie: de overgang naar loopbaangemiddelde voor ambtenaren niet uitspreiden tot 2062 maar tot 2045 nog steeds een overgangsperiode van twintig jaar, maar met sneller resultaat.
- Het percentage van 75% voor ambtenaren geleidelijk afbouwen naar 60% (het werknemersniveau), gecompenseerd door een verplichte tweede pijler voor ambtenaren (aanvullend pensioen via kapitalisatie).
- Minimumpensioen verhogen naar een niveau dat daadwerkelijke koopkracht garandeert. Vandaag ontvangt 41% van de gepensioneerden een minimumpensioen. Dat wijst op een structureel probleem met de pensioenopbouw, niet op individueel falen.
Ons principe: Iedereen is gelijk. Geen sector, geen beroep, geen statuut rechtvaardigt een fundamenteel ander pensioensysteem. De verschillen in pensioen moeten het resultaat zijn van verschillen in bijdragen en loopbaanduur. Niet van het statuut waarmee je toevallig werkt.
3. Gelijkgestelde periodes: beschermen wat telt, afbouwen wat niet werkt
Het probleem
In het Belgische werknemersstelsel is 31% van de pensioenrechten gebaseerd op niet-gewerkte periodes. Het meest uitgebreide systeem van gelijkstelling in de hele OESO. Bij vrouwen loopt dit op tot 39%. Geen enkel ander OESO-land kent een vergelijkbaar systeem van ongelimiteerde pensioenopbouw tijdens werkloosheid.
Het Arizona-akkoord plafoneert gelijkgestelde periodes op 20% van de loopbaan (tegen 2031). Dit bespaart circa €527 miljoen per jaar. Maar het treft vrouwen disproportioneel: driekwart van de getroffenen is vrouw, en zonder gelijkgestelde periodes zou de genderpensioekloof stijgen van 31% naar 43%. De Raad van State waarschuwde in februari 2026 voor indirecte discriminatie.
Concreet voorstel
- Volledige gelijkstelling behouden voor: ziekte en invaliditeit, moederschapsrust en zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof, thematische zorgverloven (palliatief, medische bijstand), tijdskrediet voor zorg.
- Gelijkstelling afbouwen voor: langdurige werkloosheid (na 2 jaar op minimumloon i.p.v. laatst verdiend loon), SWT/brugpensioen (volledig uitdoven), en landingsbanen (geleidelijke afbouw).
- Compensatie voor de genderimpact: versterking van de pensioenopbouw voor deeltijdse werknemers (overwegend vrouwen) via hogere minimumrechten per gewerkt jaar. Duitsland biedt hiervoor een model: vier jaar pensioenopbouw per kind op een fictief gemiddeld loon.
- Transparantie: elke werknemer ontvangt jaarlijks een individueel pensioenoverzicht (mypension.be) dat duidelijk toont hoeveel van het pensioen is opgebouwd via effectieve arbeid en hoeveel via gelijkstelling. Zodat de impact van loopbaankeuzes zichtbaar is.
De nuance is cruciaal: Gelijkgestelde periodes zijn geen cadeaus. Ze beschermen werknemers tegen risico's die ze niet controleren (ziekte, ontslag, zorgverantwoordelijkheden). Maar ze mogen geen structurele subsidie worden voor systemen die inactiviteit organiseren (brugpensioen, langdurige werkloosheid zonder activering).
4. Zware beroepen: betere arbeidsomstandigheden, geen vroeger pensioen
Ons standpunt
HART wil geen categoriale vroegpensioenregelingen voor specifieke beroepen. De oplossing voor fysiek belastend werk is niet een vroeger pensioen dat door alle andere belastingbetalers wordt gefinancierd. De oplossing is betere arbeidsomstandigheden, betere verloning, en het recht om van sector te veranderen.
Wat het onderzoek toont
Het wetenschappelijk bewijs over beroep en levensverwachting is genuanceerder dan beide kampen beweren. Er is een levensverwachtingskloof van 2 tot 3,5 jaar tussen fysiek zware en academische beroepen. Maar een groot Noors prospectief onderzoek (The Lancet Public Health, 2021) vond dat na correctie voor opleiding, inkomen, roken en BMI, mannen met zwaar fysiek werk zelfs 1,7 jaar langer leefden. Het verschil wordt grotendeels aangedreven door sociaaleconomische factoren, niet door fysieke inspanning als zodanig.
Wél is aangetoond dat de gezonde levensverwachting sterk verschilt: in België bedraagt het verschil tussen de hoogste en laagste sociaaleconomische groep 10,5 jaar voor mannen en 13,4 jaar voor vrouwen. Eén op vier personen uit het laagste inkomenskwintiel overlijdt vóór 65 jaar. Dit is een reëel probleem. Maar de oplossing is preventie en omscholing, niet vroegpensioen.
Concreet voorstel
- Geen lijst van "zware beroepen" met categoriale vroegpensioenrechten. België heeft hier twintig jaar over onderhandeld zonder resultaat. Het concept is politiek onhaalbaar en principieel onhoudbaar.
- Individuele compensatie via het bonus-malussysteem: wie 42+ effectieve loopbaanjaren heeft, wordt vrijgesteld van de malus bij vervroegd pensioen. Ongeacht het beroep. Dit is het Deense "Arne-pensioen"-model: het beloont lange loopbanen, niet specifieke sectoren.
- Verplichte risicopreventie door werkgevers: wie werknemers blootstelt aan nachtarbeid, extreme temperaturen, repetitieve belasting of gevaarlijke stoffen, betaalt een hogere werkgeversbijdrage die rechtstreeks naar arbeidsomstandighedenverbetering vloeit. Naar het Franse C2P-model (Compte Professionnel de Prévention).
- Recht op omscholing: elke werknemer in een fysiek belastend beroep heeft recht op betaalde omscholing naar een minder belastende functie na 20 loopbaanjaren. De werkgever en de overheid delen de kosten.
- Invaliditeitsverzekering voor wie écht niet meer kan werken door beroepsziekte of arbeidsongeval. Dat is een ander systeem dan pensioen en moet als zodanig worden behandeld.
Wie een zwaar beroep uitoefent, verdient betere werkomstandigheden en een eerlijk loon. Niet een systeem dat zegt: "hou vol tot 55, dan mag je weg." De echte solidariteit is investeren in preventie, niet in vervroegd vertrek.
5. Belgisch Pensioenspaarplan: het beste van vier continenten
Het probleem: brede dekking, maar veel te ondiep
België heeft geen dekkingsprobleem. 78% van de werknemers heeft al toegang tot een aanvullend pensioen (FSMA, januari 2025). Het probleem is de diepte: de totale opgebouwde reserves bedragen €113 miljard, maar de gemiddelde uitkering bij pensionering is slechts €71.631 en 99% wordt als eenmalig kapitaal uitbetaald, niet als maandelijkse rente. De ongelijkheid is enorm: mannen ontvangen gemiddeld €92.101, vrouwen €40.313. De onderste 10% krijgt gemiddeld €143, de bovenste 10% bijna €489.000.
Het totale Belgische pensioenkapitaal (pensioenfondsen + verzekeraars) bedraagt circa 17-18% van het bbp tegenover 206% in Denemarken (OESO 2025, hoogste ter wereld), 165-175% in Nederland (gedaald na de obligatiecrash van 2022), ~135% in Australië en ~116% in Zweden. België ligt twaalf keer lager dan het Deense niveau. Dat is het structurele gat dat gedicht moet worden.
Vier modellen, vier lessen voor België
Denemarken. De ambitie. Via collectieve arbeidsovereenkomsten bereikt Denemarken bijdragen van 12-18% van het brutoloon bij ~90% van de werknemers, zonder wettelijke verplichting. Het resultaat: 's werelds hoogste pensioenactiva als percentage van het bbp (206%) en een Mercer A-rating (81,6 punten, 3e wereldwijd). Dit bewijst dat hoge bijdragen via sociaal overleg haalbaar zijn. Precies het Belgische model van arbeidsrelaties.
Zweden. De kostenefficiëntie. Het publieke standaardfonds AP7 Såfa beheert €127 miljard voor 5,9 miljoen spaarders tegen kosten van slechts 0,05% per jaar. In 2024 behaalde het een rendement van 27,3%; het 10-jaarsgemiddelde bedraagt 13,5%. Slechts één op vier Zweden die actief een eigen fonds kozen, deed het beter dan dit standaardfonds. De les: een publiek beheerd fonds zonder winstoogmerk presteert beter dan de meeste actieve keuzes, tegen een fractie van de kosten.
Verenigd Koninkrijk. De gedragsnudge. Sinds de invoering van automatische inschrijving in 2012 steeg de pensioendeelname van 55% naar 89% een van de meest succesvolle gedragsnudges in de geschiedenis van het overheidsbeleid. De uitvalratio bedraagt slechts ~8%, ver onder de geschatte 28%. Het publieke NEST-fonds telt 13,8 miljoen leden. De les: automatische inschrijving met opt-out en driejaarlijkse herinschrijving werkt beter dan vrijwilligheid of pure verplichting.
Australië. De verantwoording. Het superannuation-systeem (verplichte werkgeversbijdrage van 12%) bouwde in drie decennia AUD $4.500 miljard (~€2.600 miljard) op. Uniek is het performanceaccountabiliteitsmechanisme van APRA: fondsen die twee opeenvolgende jaren ondermaats presteren, mogen geen nieuwe leden meer accepteren. De les: concurrentie op rendement werkt beter dan concurrentie op marketing.
Concreet voorstel: het Belgische Pensioenspaarplan (BPS)
A. Bijdragevoet: Deense ambitie, gefaseerd ingevoerd
- Startbijdrage: 4% werkgever + 2% werknemer = 6% vanaf invoering. De werkgever draagt van meet af aan het grootste deel. Naar Australisch model.
- Automatische escalatie: jaarlijks +1% totaal (afwisselend werkgever en werknemer), tot een doel van 12% totaal (8% werkgever + 4% werknemer) binnen acht jaar.
- Infasering via de interprofessionele akkoorden (IPA): gekoppeld aan loonmarge en verlaging sociale bijdragen die vrijkomt door de pensioenhervorming. Denemarken bereikte 12-18% via cao's; België kan hetzelfde pad volgen.
- Zelfstandigen: verplichte bijdrage van 6% bij invoering, oplopend naar 12% van het netto belastbaar inkomen, fiscaal aftrekbaar.
Waarom 12% en niet 6-9%? Australië verplicht 12% (werkgever alleen), Denemarken realiseert 12-18%, Chili hervormde in 2025 naar 18,5%. Bij 6-9% zal België de kloof met vergelijkbare landen niet dichten. 12% is het internationaal bewezen minimum voor een adequate aanvulling op het wettelijk pensioen.
B. Standaardfonds: Zweeds AP7-model voor België
- Oprichting van een publiek beheerd Belgisch Pensioeninvesteringsfonds (BPIF) zonder winstoogmerk, onder toezicht van FSMA en NBB, naar het model van het Zweedse AP7 Såfa.
- Lifecycle-strategie als standaard: 90% aandelen (wereldwijd gespreid) tot leeftijd 45, geleidelijk afbouwend naar 30% aandelen op leeftijd 65. AP7 Såfa hanteert zelfs hefboomwerking (~1,25x) voor jongere spaarders. Het resultaat is een 10-jaarsgemiddelde van 13,5%.
- Streefkosten van 0,10% per jaar vergelijkbaar met AP7 Såfa (0,05%) plus administratiekosten. Dit is tien keer goedkoper dan het gemiddelde commerciële fonds. Over een loopbaan van 42 jaar bespaart een kostenverschil van 0,5% versus 0,10% circa €80.000 op het eindkapitaal.
- Wie niet kiest, wordt automatisch in het BPIF geplaatst. In Zweden presteert het standaardfonds beter dan driekwart van de actieve keuzes.
C. Keuzevrijheid: Zweeds kortingssysteem + Australische verantwoording
- Werknemers die actief willen kiezen, selecteren uit een centraal pensioenplatform (beheerd door de FSMA) met maximaal 30-50 erkende fondsen. Kwaliteitsgecontroleerd via aanbesteding, naar het model van de Zweedse Fondtorgsnämnden.
- Bulkkortingssysteem: de FSMA onderhandelt collectief over beheerkosten namens alle deelnemers. In Zweden reduceert dit systeem de gemiddelde fondskosten van 0,44% naar 0,12% effectiever dan een statisch kostenplafond.
- Wettelijk kostenplafond van 0,40% bij lancering, dalend naar 0,25% binnen vijf jaar en 0,15% binnen tien jaar, naarmate het systeem schaalvoordelen realiseert.
- Australisch prestatieaccountabiliteitsmechanisme: fondsen die twee opeenvolgende jaren meer dan 0,5% onder de benchmark presteren (na kosten), worden uitgesloten van het platform. Geen excuses, geen tweede kansen.
D. Automatische inschrijving: Brits model
- Universele automatische inschrijving bij indiensttreding voor elke werkgever, ongeacht omvang. Naar Brits model. Geen vrijstelling voor kleine bedrijven.
- Opt-out mogelijk na 60 dagen, maar met driejaarlijkse automatische herinschrijving wie uitstapt, wordt elke drie jaar opnieuw ingeschreven (tenzij opnieuw actief bezwaar). In het VK daalde de uitvalratio hierdoor naar ~8%.
- Portabiliteit: bij verandering van werkgever verhuist de rekening mee via het centrale platform. Eén rekening per werknemer, ongeacht hoeveel werkgevers.
E. Bescherming tegen ongelijkheid
- Gendercompensatie: voor elke periode van zwangerschaps-, ouderschaps- of zorgverlof stort de overheid een bijdrage op de individuele pensioenrekening ter hoogte van het gemiddelde sectorloon. Naar Duits model (vier jaar pensioenopbouw per kind). Dit voorkomt dat de bestaande genderkloof in de tweede pijler (mannen €92.101 vs. vrouwen €40.313 gemiddeld) zich verdiept.
- Minimumbijdrage-garantie voor lage lonen: voor werknemers met een brutoloon onder €2.500/maand draagt de overheid het verschil bij tot een minimale maandelijkse pensioenstorting van €150. Dit is de solidariteitsvloer die het Amerikaanse 401(k) mist.
- Verplichte uitkering als rente: minstens 50% van het opgebouwde kapitaal moet worden omgezet in een levenslange maandelijkse rente geen volledige eenmalige opname meer. Vandaag neemt 99% van de Belgen het aanvullend pensioen als kapitaal op, wat het langlevenrisico volledig bij het individu legt.
F. Lock-in: geen noodopnames
- Het pensioenkapitaal is niet vervroegd opneembaar geen uitzonderingen, geen COVID-clausules. Chili verloor ~$50 miljard aan toekomstige pensioenen door drie rondes noodopnames. België maakt die fout niet.
- Enige uitzondering: terminale ziekte of volledige arbeidsongeschiktheid, op advies van een onafhankelijke medische commissie.
Wat dit oplevert
Een werknemer die op 25 jaar begint met een totale bijdrage van 12% van een modaal loon (€3.500 bruto/maand = €420/maand), bij een realistisch rendement van 5% netto na kosten (AP7 Såfa behaalde 13,5% gemiddeld over 10 jaar; wij rekenen conservatief), bouwt tegen 67 jaar een kapitaal op van circa €680.000-750.000. Omgezet in een lijfrente levert dit circa €2.800-3.200 per maand bovenop het wettelijk pensioen. Een verdrievoudiging van het pensioeninkomen voor de modale werknemer.
Zelfs bij een voorzichtiger rendement van 4% netto en een startleeftijd van 30 jaar bouwt dezelfde werknemer circa €430.000 op. Goed voor €1.800-2.100 per maand als lijfrente.
Op macroniveau verschuift het systeem van volledige afhankelijkheid van repartitie naar een hybride model: solidariteit (eerste pijler) plus individuele vermogensopbouw (tweede pijler). Bij een bijdragevoet van 12% en een groeitraject van 30 jaar zouden de Belgische pensioenactiva stijgen van 17-18% naar 80-100% van het bbp dichter bij het Australische niveau (135%) en op weg naar het Deense (206%).
Internationale vergelijking: waar België staat en waar het naartoe kan
| Kenmerk | België nu | HART-voorstel (BPS) | Denemarken | Australië | Zweden |
|---|---|---|---|---|---|
| Totale bijdrage | ~3-5% | 12% | 12-18% | 12% | ~25-30%* |
| Dekking | 78% | ~95%+ | ~90% | >90% | >90% |
| Activa/bbp | 17-18% | 80-100% (na 30 jaar) | 206% | 135% | 116% |
| Standaardfondskosten | 0,3-0,8% | 0,10% (BPIF) | 0,2-0,5% | 0,5-0,7% | 0,05% |
| Mercer-score | 68,6 (B) | doel: 80+ (A) | 81,6 (A) | 76,7 (B+) | 74,3 (B) |
*Inclusief inkomenspensioen (16%) + premiepensioen (2,5%) + arbeidsmarktpensioen (~4,5-7%)
Jouw pensioen is niet het geschenk van een politicus. Het is het resultaat van jouw arbeid, jouw bijdragen en jouw keuzes. Op een rekening die op jouw naam staat, beheerd tegen de laagste kosten ter wereld, beschermd tegen noodgrepen van welke regering dan ook. De overheid garandeert het minimumpensioen als vangnet. Maar jouw welvaart na het werkende leven bouw je zelf op. En wij zorgen dat het systeem daarvoor eerlijk, transparant en betaalbaar is.
6. Financiële raming
| Maatregel | Jaarlijkse besparing / kostprijs |
|---|---|
| Besparingen | |
| Dynamische koppeling aan levensverwachting (2/3-model) | -2,0 pp bbp tegen 2070 (~€12-15 mld/jaar) |
| Arizona-pakket (reeds ingepland) | -1,8 pp bbp tegen 2070 |
| Versnelde convergentie ambtenarenpensioenen (2045 i.p.v. 2062) | -0,2 pp bbp (additioneel bovenop Arizona) |
| Afbouw gelijkgestelde periodes (conform Arizona + aanscherping) | -0,2 pp bbp (~€527 mln/jaar tegen 2029) |
| Kosten | |
| Verhoging minimumpensioen | +€500 mln – 1 mld/jaar |
| Omscholingsprogramma zware beroepen | +€200-400 mln/jaar |
| Opbouw Belgisch Pensioenspaarplan (12% bijdrage, gefaseerd over 8 jaar) | budgetneutraal (werkgevers-werknemersbijdragen via IPA, fiscaal gestimuleerd) |
De dynamische koppeling is de grootste hefboom: zij alleen levert meer op dan alle andere maatregelen samen. Het is de enige maatregel die het systeem structureel en permanent stabiliseert, zonder dat toekomstige regeringen opnieuw moeten ingrijpen.
Samenvatting: vijf partijpunten op één pagina
1. DYNAMISCHE PENSIOENLEEFTIJD De pensioenleeftijd automatisch koppelen aan de levensverwachting, naar het Nederlands tweederde-model: van elke 12 maanden extra levensverwachting gaat 8 maanden naar arbeid, 4 maanden naar pensioen. Herberekening om de vijf jaar, tien jaar aankondigingstermijn. Nooit meer politiek getouwtrek. De wiskunde beslist.
2. ÉÉN SYSTEEM VOOR IEDEREEN Eén pensioenformule ongeacht statuut. Convergentie ambtenarenpensioenen versnellen (klaar in 2045, niet 2062). Het percentage van 75% geleidelijk afbouwen naar 60%, gecompenseerd via een verplichte tweede pijler.
3. EFFECTIEF WERK BELOOND Gelijkgestelde periodes behouden voor ziekte, zorg en ouderschap. Afbouwen voor langdurige werkloosheid en brugpensioen. Genderimpact compenseren via hogere minimumrechten per gewerkt jaar.
4. BETERE WERKOMSTANDIGHEDEN, GEEN VROEGER PENSIOEN Geen categoriale vroegpensioenregelingen voor "zware beroepen." Individuele compensatie via loopbaanduur (42+ jaar: geen malus). Verplichte risicopreventie door werkgevers. Recht op omscholing na 20 jaar.
5. BELGISCH PENSIOENSPAARPLAN (BPS) Individuele pensioenrekening voor elke werknemer en zelfstandige, met het beste van vier bewezen systemen: Deense bijdragevoet (12%, gefaseerd via IPA), Zweeds publiek standaardfonds (BPIF, kosten 0,10%), Britse automatische inschrijving (opt-out + driejaarlijkse herinschrijving), Australisch prestatieaccountabiliteitsmechanisme. Gendercompensatie bij zorgverlof. Verplichte omzetting van minstens 50% als levenslange rente. Jouw geld, jouw rekening, professioneel beheerd, eerlijk voor iedereen.
Ons principe: Het pensioensysteem is geen verworven recht van het verleden. Het is een belofte aan de toekomst. En beloftes die je niet kunt waarmaken, zijn geen solidariteit. Het zijn schulden die je doorschuift naar je kinderen. HART wil een systeem dat eerlijk is voor wie vandaag werkt, houdbaar is voor wie morgen met pensioen gaat, en betaalbaar is voor wie overmorgen de rekening betaalt.