arrow_back Alle partijpunten
Partijpunt 6 van 30

Pensioen

Partijprogramma Pensioenen. HART

Partijprogramma Pensioenen. HART Federale verkiezingen

Op basis van OESO Pensions at a Glance 2025, OESO Pension Markets in Focus, Mercer CFA Institute Global Pension Index 2025, Studiecommissie voor de Vergrijzing (verslag 2026), Federaal Planbureau, Federale Pensioendienst, PensionStat en FSMA, en de Deense, Nederlandse en Zweedse pensioenmodellen


Onze diagnose: een systeem dat niet overleeft zonder hervorming

België scoort 42,7 op 100 voor pensioenhoudbaarheid in de Mercer CFA Institute Global Pension Index 2025. Slechts tien van de 52 onderzochte stelsels scoren lager. We scoren hoog op wat het systeem uitkeert (toereikendheid: 81,5/100), maar dramatisch op de vraag of we dat kunnen blijven doen.

De cijfers verklaren waarom:

De wettelijke pensioenen kostten in 2024 €66,8 miljard (Rekenhof): 11,3% van het bbp (2025), ongeveer een vijfde van alle overheidsuitgaven. Ook na de pensioenhervorming van 2026 stijgen ze tot 12,0% van het bbp in 2050. Samen met de gezondheidszorg (+2,1 procentpunt) en na aftrek van de andere uitgaven die dalen (-1,3 procentpunt) kost de vergrijzing tussen 2025 en 2070 1,5 procentpunt van het bbp extra, en 3,3 procentpunt als de productiviteit trager groeit (Studiecommissie voor de Vergrijzing, juli 2026).

De effectieve uittredeleeftijd bedraagt 62,4 jaar voor mannen en 60,6 jaar voor vrouwen (2024, OESO, Pensions at a Glance 2025): 3,6 tot 5,4 jaar onder de wettelijke pensioenleeftijd van 66, en twee tot drie jaar onder het OESO-gemiddelde (64,7 jaar voor mannen, 63,6 jaar voor vrouwen). Alleen in Luxemburg, Slovenië en Turkije verlaten mannen én vrouwen de arbeidsmarkt nog vroeger.

Tegenover elke 67-plusser staan in 2025 nog 3,5 mensen op actieve leeftijd (18 tot 66 jaar); in 2070 zijn dat er nog 2,4 (Federaal Planbureau, 2026). Elke toekomstige werknemer moet dus voor steeds meer gepensioneerden betalen.

De staatsschuld bedroeg eind 2025 107,9% van het bbp (€692,5 miljard), het begrotingstekort 5,2% van het bbp. Bij ongewijzigd beleid loopt de schuld op tot 122,6% van het bbp in 2031 (Monitoringcomité, juli 2026).

Begin 2024 ontvingen 2,38 miljoen mensen een pensioen uit de werknemers- of zelfstandigenregeling; wie alleen een ambtenarenpensioen heeft, komt daar nog bij. 41% van de gepensioneerden in de werknemers- en zelfstandigenregeling, ruim een miljoen mensen, had in januari 2025 een minimumpensioen in betaling (PensionStat). Het minimumpensioen vraagt een lange loopbaan en werd tussen 2019 en 2025 herhaaldelijk opgetrokken, maar dat zoveel mensen erop terugvallen, toont hoe laag de opbouw voor veel werknemers ligt.

De kern: Het probleem is niet dat Belgen te vroeg stoppen met werken. Het probleem is dat het systeem ze daartoe aanmoedigt, de rekening doorschuift naar de volgende generatie, en tegelijkertijd te weinig oplevert voor wie het nodig heeft.


Wat al verandert, en waar HART verder gaat

De pensioenhervorming die het parlement op 28 mei 2026 goedkeurde (Belgisch Staatsblad van 1 juni 2026), zet stappen die HART steunt. Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing (juli 2026) verlaagt ze de meerkost van de pensioenen tot 2070 met 1,4 procentpunt van het bbp. De belangrijkste maatregelen:

Ambtenarenpensioenen worden stap voor stap berekend op de volledige loopbaan in plaats van op de laatste jaren: vanaf 2027 wordt de referteperiode per geboortejaar langer, tot 45 jaar voor wie geboren is vanaf 1997 (volledig ingefaseerd rond 2062). De perequatie (koppeling aan de loonsverhogingen van actieve ambtenaren) is afgeschaft. Voordeligere tantièmes worden vanaf 2027 vervangen door de standaard 1/60, met een overgang voor onder meer leerkrachten.

Bonus-malussysteem: wie vanaf 2027 vervroegd met pensioen gaat zonder 35 loopbaanjaren met telkens minstens 156 effectief gewerkte dagen (en 7.020 gewerkte dagen in totaal), krijgt een definitieve korting van 2 tot 5% per jaar, afhankelijk van het geboortejaar. Wie langer werkt, bouwt sinds 2026 een bonus op van 2 tot 5% per extra jaar. Dit is de stok én de wortel die België nodig had.

Gelijkgestelde periodes voor werkloosheid, brugpensioen (SWT) en landingsbanen tellen vanaf 1 juli 2027 nog maar mee tot 40% van de loopbaan voor wie geboren is tussen 1961 en 1964, aflopend tot 20% voor wie geboren is vanaf 1968. Ziekte, zorgverlof en moederschapsrust blijven volledig beschermd.

Voorkeurregimes voor militairen en het rijdend personeel van de spoorwegen worden per geboortejaar afgebouwd naar de algemene regels.

HART steunde deze richting al vóór ze beleid werd. Wij willen verder: naar een structureel houdbaar systeem dat niet bij elke regeerperiode opnieuw moet worden heronderhandeld.


1. Dynamische pensioenleeftijd: automatisch, transparant, eerlijk

Het probleem

De wettelijke pensioenleeftijd is 66 jaar sinds 2025 en wordt 67 jaar in 2030. Daarna blijft ze staan. Maar de levensverwachting stijgt door: van 80,7 jaar voor mannen en 84,7 jaar voor vrouwen (2025) naar 88,0 en 89,1 jaar in 2070 (Federaal Planbureau, 2026). Elke vijf jaar dat de pensioenleeftijd gelijk blijft terwijl de levensverwachting stijgt, kost de schatkist miljarden. Het IMF berekende (2023) dat een koppeling aan de levensverwachting die de pensioenleeftijd tegen 2070 op 70,5 jaar brengt, de pensioenuitgaven tegen 2070 met circa 2 procentpunt van het bbp verlaagt. Het tweederdemodel dat HART voorstelt, brengt de leeftijd minder hoog (zie hieronder); het effect ligt daarom lager, rond 1,3 à 1,5 procentpunt. Het blijft de individueel meest impactvolle maatregel.

Wat werkt elders

Negen OESO-landen koppelen de pensioenleeftijd al aan de levensverwachting (OESO, 2025). Twee modellen bestaan:

Denemarken (volledige koppeling): elk jaar extra levensverwachting = één jaar langer werken. In mei 2025 stemde het Deens parlement om de pensioenleeftijd te verhogen naar 70 jaar tegen 2040 (68 in 2030, 69 in 2035). De formule wordt om de vijf jaar herberekend, met 15 jaar aankondigingstijd.

Nederland (tweederde-koppeling): voor elke 12 maanden extra levensverwachting stijgt de AOW-leeftijd met 8 maanden. De resterende 4 maanden zijn extra pensioentijd. De AOW-leeftijd is 67 jaar sinds 2024 en wordt 67 jaar en 3 maanden in 2028.

Concreet voorstel

  • Wettelijke verankering van een automatische koppeling naar het tweederde-model (Nederlands): van elke 12 maanden stijging in levensverwachting op 65 gaat 8 maanden naar arbeid en 4 maanden naar pensioen. Dit is eerlijker dan de Deense 1:1-koppeling omdat burgers ook méér pensioentijd krijgen naarmate ze langer leven. De Deense Pensioencommissie (2022) adviseerde zelf om naar een 80/20-verdeling over te stappen.
  • Herberekening om de vijf jaar door het Federaal Planbureau, op basis van de meest recente bevolkingsprojecties.
  • Aankondiging minstens tien jaar op voorhand zodat burgers zich kunnen voorbereiden.
  • Verhoging in stappen van drie maanden: geen plotselinge sprongen.
  • Wettelijke ondergrens van 67 jaar. De leeftijd kan niet dalen, alleen stijgen.

Op basis van de bevolkingsvooruitzichten van het Federaal Planbureau (2026) zou de Belgische pensioenleeftijd onder dit model uitkomen op circa 67,5 à 68 jaar rond 2040, 68,5 jaar rond 2050 en 69,5 à 70 jaar rond 2070.

Waarom dit werkt: Het systeem past zich automatisch aan de realiteit aan. Geen politicus hoeft het impopulaire besluit te nemen. Het is wiskundig verankerd. Denemarken bewijst dat het politiek haalbaar is: de koppeling bestaat er sinds 2006 en wordt breed gesteund door het hele politieke spectrum.


2. Eén systeem voor iedereen: geen voorkeursbehandeling

Het probleem

België kent drie parallelle pensioenstelsels met fundamenteel verschillende regels: werknemers (60% van het referentieloon), ambtenaren (75% van het referentieloon), en zelfstandigen (historisch het laagste). Wie alleen ambtenaar was, krijgt gemiddeld €4.028 bruto per maand (mannen) en €3.502 (vrouwen): ongeveer het dubbele van wie alleen werknemer was (€2.047 en €1.571) en bijna drie tot ruim vier keer zoveel als wie alleen zelfstandige was (€1.476 en €807) (PensionStat, januari 2025). Het absolute maximum voor een ambtenarenpensioen bedraagt ongeveer €8.290 bruto per maand (2026).

De pensioenhervorming van 2026 begint met de convergentie (loopbaangemiddelde in plaats van de laatste jaren, standaardtantième van 1/60), maar behoudt de 75%-formule voor ambtenaren. HART wil deze convergentie versnellen en voltooien.

Concreet voorstel

  • Eén pensioenformule voor iedereen op lange termijn. Of je nu werknemer, zelfstandige of ambtenaar bent. Dezelfde bijdragejaren, dezelfde berekeningswijze, hetzelfde plafond. Nederland schafte het aparte ambtenarenpensioen af in 1996. Zweden en Denemarken hanteren hetzelfde stelsel voor iedereen.
  • Versnelling van de convergentie: de overgang naar het loopbaangemiddelde voor ambtenaren niet uitspreiden tot rond 2062, maar voltooien tegen 2045. Dat blijft een ruime overgangsperiode, met sneller resultaat.
  • Het percentage van 75% voor ambtenaren geleidelijk afbouwen naar 60% (het werknemersniveau), gecompenseerd door een verplichte tweede pijler voor ambtenaren (aanvullend pensioen via kapitalisatie).
  • Minimumpensioen verhogen naar een niveau dat daadwerkelijke koopkracht garandeert. 41% van de gepensioneerden in de werknemers- en zelfstandigenregeling heeft een minimumpensioen in betaling (januari 2025). Dat wijst op een structureel probleem met de pensioenopbouw, niet op individueel falen.

Ons principe: Iedereen is gelijk. Geen sector, geen beroep, geen statuut rechtvaardigt een fundamenteel ander pensioensysteem. De verschillen in pensioen moeten het resultaat zijn van verschillen in bijdragen en loopbaanduur. Niet van het statuut waarmee je toevallig werkt.


3. Gelijkgestelde periodes: beschermen wat telt, afbouwen wat niet werkt

Het probleem

In het Belgische pensioenstelsel wegen niet-gewerkte periodes zwaar. Zonder gelijkstelling zou het gemiddelde rustpensioen (werknemers en zelfstandigen) van vrouwen met 34% dalen en dat van mannen met 20% (Federaal Planbureau, 2024, toestand 2017). De OESO rekent België tot de landen met de ruimste gelijkstelling voor zorgtaken.

De pensioenhervorming van 2026 beperkt de gelijkstelling voor werkloosheid, SWT en landingsbanen tot uiteindelijk 20% van de loopbaan. Volgens het Federaal Planbureau (april 2026) treft die beperking vrouwen harder dan mannen, en zonder gelijkgestelde periodes zou de pensioenkloof tussen vrouwen en mannen stijgen van 31% naar 43% (Federaal Planbureau, 2024). Volgens de Raad van State benadeelt de voorwaarde van 156 effectief gewerkte dagen per jaar in de feiten aanzienlijk meer vrouwen dan mannen, wat op een indirecte discriminatie kan neerkomen. Vrouwen werken vaker deeltijds.

Concreet voorstel

  • Volledige gelijkstelling behouden voor: ziekte en invaliditeit, moederschapsrust en zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof, thematische zorgverloven (palliatief, medische bijstand), tijdskrediet voor zorg.
  • Gelijkstelling afbouwen voor: langdurige werkloosheid (na 2 jaar op minimumloon i.p.v. laatst verdiend loon), SWT/brugpensioen (volledig uitdoven), en landingsbanen (geleidelijke afbouw).
  • Compensatie voor de genderimpact: versterking van de pensioenopbouw voor deeltijdse werknemers (overwegend vrouwen) via hogere minimumrechten per gewerkt jaar. Duitsland biedt hiervoor een model: tot drie jaar pensioenopbouw per kind op het gemiddelde loon van alle verzekerden.
  • Transparantie: elke werknemer ontvangt jaarlijks een individueel pensioenoverzicht (mypension.be) dat duidelijk toont hoeveel van het pensioen is opgebouwd via effectieve arbeid en hoeveel via gelijkstelling. Zodat de impact van loopbaankeuzes zichtbaar is.

De nuance is cruciaal: Gelijkgestelde periodes zijn geen cadeaus. Ze beschermen werknemers tegen risico's die ze niet controleren (ziekte, ontslag, zorgverantwoordelijkheden). Maar ze mogen geen structurele subsidie worden voor systemen die inactiviteit organiseren (brugpensioen, langdurige werkloosheid zonder activering).


4. Zware beroepen: betere arbeidsomstandigheden, geen vroeger pensioen

Ons standpunt

HART wil geen categoriale vroegpensioenregelingen voor specifieke beroepen. De oplossing voor fysiek belastend werk is niet een vroeger pensioen dat door alle andere belastingbetalers wordt gefinancierd. De oplossing is betere arbeidsomstandigheden, betere verloning, en het recht om van sector te veranderen.

Wat het onderzoek toont

Het wetenschappelijk bewijs over beroep en levensverwachting is genuanceerder dan beide kampen beweren. In België leven laaggeschoolde mannen gemiddeld 6,1 jaar korter dan hooggeschoolde, bij vrouwen is dat 4,6 jaar (Sciensano, 2011). Maar een groot Noors prospectief onderzoek bij 437.378 deelnemers (The Lancet Public Health, 2021) vond dat na correctie voor opleiding, inkomen, roken en BMI, mannen met zwaar fysiek werk zelfs 1,7 jaar langer leefden. Het verschil wordt grotendeels aangedreven door sociaaleconomische factoren, niet door fysieke inspanning als zodanig.

Wél is aangetoond dat de gezonde levensverwachting sterk verschilt: in België bedraagt het verschil tussen laag- en hooggeschoolden op 25 jaar 10,5 jaar voor mannen en 13,4 jaar voor vrouwen (Sciensano, 2011). Tussen de laagste en de hoogste sociaaleconomische groep loopt het verschil in levensverwachting op tot 9,3 jaar bij mannen en 6,3 jaar bij vrouwen (2020). Dit is een reëel probleem. Maar de oplossing is preventie en omscholing, niet vroegpensioen.

Concreet voorstel

  • Geen lijst van "zware beroepen" met categoriale vroegpensioenrechten. België heeft hier jarenlang over onderhandeld zonder resultaat. Het concept is politiek onhaalbaar en principieel onhoudbaar.
  • Individuele compensatie via het bonus-malussysteem: wie 42+ effectieve loopbaanjaren heeft, wordt vrijgesteld van de malus bij vervroegd pensioen. Ongeacht het beroep. Dit is het Deense "Arne-pensioen"-model: het beloont lange loopbanen, niet specifieke sectoren.
  • Verplichte risicopreventie door werkgevers: wie werknemers blootstelt aan nachtarbeid, extreme temperaturen, repetitieve belasting of gevaarlijke stoffen, betaalt een hogere werkgeversbijdrage die rechtstreeks naar arbeidsomstandighedenverbetering vloeit. Naar het Franse C2P-model (Compte Professionnel de Prévention).
  • Recht op omscholing: elke werknemer in een fysiek belastend beroep heeft recht op betaalde omscholing naar een minder belastende functie na 20 loopbaanjaren. De werkgever en de overheid delen de kosten.
  • Invaliditeitsverzekering voor wie écht niet meer kan werken door beroepsziekte of arbeidsongeval. Dat is een ander systeem dan pensioen en moet als zodanig worden behandeld.

Wie een zwaar beroep uitoefent, verdient betere werkomstandigheden en een eerlijk loon. Niet een systeem dat zegt: "hou vol tot 55, dan mag je weg." De echte solidariteit is investeren in preventie, niet in vervroegd vertrek.


5. Belgisch Pensioenspaarplan: het beste van vier landen

Het probleem: brede dekking, maar veel te ondiep

België heeft geen dekkingsprobleem. 80% van de werknemers bouwt al een aanvullend pensioen op (PensionStat, 1 januari 2025). Het probleem is de diepte: de opgebouwde reserves bedragen samen ongeveer €113 miljard (4,52 miljoen aangeslotenen met gemiddeld €25.017), maar een uitbetaling bedraagt gemiddeld slechts €47.346 in een bedrijfspensioenstelsel en €3.946 in een sectorstelsel (FSMA, 2023), en 99% wordt als eenmalig kapitaal uitbetaald, niet als maandelijkse rente. De ongelijkheid is enorm: mannen hebben gemiddeld €30.173 opgebouwd, vrouwen €18.171, en de helft van alle aangeslotenen heeft minder dan €3.821. Bij mannen van 56 tot 65 jaar heeft de onderste 10% minder dan €832 opgebouwd, de bovenste 10% meer dan €220.000 (PensionStat, 1 januari 2025).

Alle Belgische pensioenspaartegoeden samen bedragen ongeveer 30% van het bbp, tegenover ruim 200% in Denemarken (hoogste ter wereld), ongeveer 150% in Nederland, 135% in Australië en ongeveer 115% in Zweden (OESO, Pension Markets in Focus, eind 2024). België ligt bijna zeven keer lager dan het Deense niveau. Dat is het structurele gat dat gedicht moet worden.

Vier modellen, vier lessen voor België

Denemarken: de ambitie. Via collectieve arbeidsovereenkomsten bereikt Denemarken bijdragen van 12-18% van het brutoloon bij ~90% van de werknemers, zonder wettelijke verplichting. Het resultaat: 's werelds hoogste pensioenactiva als percentage van het bbp (ruim 200%) en een Mercer A-rating (82,3 punten, derde in de index van 2025). Dit bewijst dat hoge bijdragen via sociaal overleg haalbaar zijn. Precies het Belgische model van arbeidsrelaties.

Zweden: de kostenefficiëntie. Het publieke standaardfonds AP7 Såfa beheert ruim 1.400 miljard Zweedse kronen (ongeveer €125 miljard) voor 5,9 miljoen spaarders (eind 2024) tegen een beheerkost van slechts 0,05% per jaar. In 2024 behaalde het een rendement van 27,3%; sinds 2000 haalde een doorsnee spaarder in het standaardalternatief gemiddeld 11,5% per jaar. De les: een publiek beheerd fonds zonder winstoogmerk levert sterke rendementen, tegen een fractie van de kosten.

Verenigd Koninkrijk: de gedragsnudge. Sinds de invoering van automatische inschrijving in 2012 steeg de pensioendeelname van de werknemers die ervoor in aanmerking komen van 55% in 2012 naar 88% in 2021, een van de meest succesvolle gedragsnudges in de geschiedenis van het overheidsbeleid. Slechts 8 à 14% stapt uit, tegenover 28% in de oorspronkelijke ramingen (National Audit Office). Het publieke NEST-fonds telt 13,8 miljoen leden (2025). De les: automatische inschrijving met opt-out en driejaarlijkse herinschrijving werkt beter dan vrijwilligheid of pure verplichting.

Australië: de verantwoording. Het superannuation-systeem (verplichte werkgeversbijdrage van 12% sinds juli 2025) bouwde sinds 1992 ongeveer 4.500 miljard Australische dollar (ruim €2.500 miljard, eind 2025) op. Uniek is het performanceaccountabiliteitsmechanisme van APRA: fondsen die twee opeenvolgende jaren ondermaats presteren, mogen geen nieuwe leden meer accepteren. De les: concurrentie op rendement werkt beter dan concurrentie op marketing.

Concreet voorstel: het Belgische Pensioenspaarplan (BPS)

A. Bijdragevoet: Deense ambitie, gefaseerd ingevoerd

  • Startbijdrage: 4% werkgever + 2% werknemer = 6% vanaf invoering. De werkgever draagt van meet af aan het grootste deel. Naar Australisch model.
  • Automatische escalatie: jaarlijks +1% totaal (afwisselend werkgever en werknemer), tot een doel van 12% totaal (8% werkgever + 4% werknemer) binnen acht jaar.
  • Infasering via de interprofessionele akkoorden (IPA): gekoppeld aan loonmarge en verlaging sociale bijdragen die vrijkomt door de pensioenhervorming. Denemarken bereikte 12-18% via cao's; België kan hetzelfde pad volgen.
  • Zelfstandigen: verplichte bijdrage van 6% bij invoering, oplopend naar 12% van het netto belastbaar inkomen, fiscaal aftrekbaar.

Waarom 12% en niet 6-9%? Australië verplicht 12% (werkgever alleen), Denemarken realiseert 12-18%, Chili besliste in 2025 om stapsgewijs naar 18,5% te gaan. Bij 6-9% zal België de kloof met vergelijkbare landen niet dichten. 12% is het niveau van de landen met de sterkste aanvullende pensioenen.

B. Standaardfonds: Zweeds AP7-model voor België

  • Oprichting van een publiek beheerd Belgisch Pensioeninvesteringsfonds (BPIF) zonder winstoogmerk, onder toezicht van FSMA en NBB, naar het model van het Zweedse AP7 Såfa.
  • Lifecycle-strategie als standaard: 90% aandelen (wereldwijd gespreid) tot leeftijd 45, geleidelijk afbouwend naar 30% aandelen op leeftijd 65. AP7 Såfa hanteert zelfs hefboomwerking (~1,25x) voor jongere spaarders en haalde sinds 2000 gemiddeld 11,5% per jaar.
  • Streefkosten van 0,10% per jaar, vergelijkbaar met AP7 Såfa (0,05%) plus administratiekosten. Dat is een fractie van wat commerciële beleggingsfondsen aanrekenen. Over een loopbaan van 42 jaar bespaart een kostenverschil van 0,5% versus 0,10% circa €70.000 op het eindkapitaal (bij €420 per maand).
  • Wie niet kiest, wordt automatisch in het BPIF geplaatst, zoals in Zweden.

C. Keuzevrijheid: Zweeds kortingssysteem + Australische verantwoording

  • Werknemers die actief willen kiezen, selecteren uit een centraal pensioenplatform (beheerd door de FSMA) met maximaal 30-50 erkende fondsen. Kwaliteitsgecontroleerd via aanbesteding, naar het model van de Zweedse Fondtorgsnämnden.
  • Bulkkortingssysteem: de FSMA onderhandelt collectief over beheerkosten namens alle deelnemers. In Zweden drukt dit systeem de gemiddelde fondskosten van 0,42% naar 0,12% (2024), effectiever dan een statisch kostenplafond.
  • Wettelijk kostenplafond van 0,40% bij lancering, dalend naar 0,25% binnen vijf jaar en 0,15% binnen tien jaar, naarmate het systeem schaalvoordelen realiseert.
  • Australisch prestatieaccountabiliteitsmechanisme: fondsen die twee opeenvolgende jaren meer dan 0,5% onder de benchmark presteren (na kosten), worden uitgesloten van het platform. Geen excuses, geen tweede kansen.

D. Automatische inschrijving: Brits model

  • Universele automatische inschrijving bij indiensttreding voor elke werkgever, ongeacht omvang. Naar Brits model. Geen vrijstelling voor kleine bedrijven.
  • Opt-out mogelijk na 60 dagen, maar met driejaarlijkse automatische herinschrijving: wie uitstapt, wordt elke drie jaar opnieuw ingeschreven (tenzij opnieuw actief bezwaar). In het VK stapt slechts 8 à 14% uit.
  • Portabiliteit: bij verandering van werkgever verhuist de rekening mee via het centrale platform. Eén rekening per werknemer, ongeacht hoeveel werkgevers.

E. Bescherming tegen ongelijkheid

  • Gendercompensatie: voor elke periode van zwangerschaps-, ouderschaps- of zorgverlof stort de overheid een bijdrage op de individuele pensioenrekening ter hoogte van het gemiddelde sectorloon. Naar Duits model (tot drie jaar pensioenopbouw per kind). Dit voorkomt dat de bestaande genderkloof in de tweede pijler (mannen gemiddeld €30.173 opgebouwd, vrouwen €18.171) zich verdiept.
  • Minimumbijdrage-garantie voor lage lonen: voor werknemers met een brutoloon onder €2.500/maand draagt de overheid het verschil bij tot een minimale maandelijkse pensioenstorting van €150. Dit is de solidariteitsvloer die het Amerikaanse 401(k) mist.
  • Verplichte uitkering als rente: minstens 50% van het opgebouwde kapitaal moet worden omgezet in een levenslange maandelijkse rente, geen volledige eenmalige opname meer. 99% van de Belgen neemt het aanvullend pensioen als kapitaal op, wat het langlevenrisico volledig bij het individu legt.

F. Lock-in: geen noodopnames

  • Het pensioenkapitaal is niet vervroegd opneembaar: geen uitzonderingen, geen COVID-clausules. Chili verloor ongeveer 50 miljard dollar aan toekomstige pensioenen door drie rondes noodopnames (2020-2021). België maakt die fout niet.
  • Enige uitzondering: terminale ziekte of volledige arbeidsongeschiktheid, op advies van een onafhankelijke medische commissie.

Wat dit oplevert

Een werknemer die op 25 jaar begint met een totale bijdrage van 12% van een modaal loon (€3.500 bruto/maand = €420/maand), bij een realistisch rendement van 5% netto na kosten (AP7 Såfa haalde sinds 2000 gemiddeld 11,5% per jaar; wij rekenen conservatief), bouwt tegen 67 jaar een kapitaal op van circa €680.000-720.000. Omgezet in een lijfrente levert dit circa €2.800-3.200 per maand bovenop het wettelijk pensioen. Meer dan een verdubbeling van het pensioeninkomen voor de modale werknemer.

Zelfs bij een voorzichtiger rendement van 4% netto en een startleeftijd van 30 jaar bouwt dezelfde werknemer circa €420.000 op. Goed voor €1.800-2.100 per maand als lijfrente.

Op macroniveau verschuift het systeem van volledige afhankelijkheid van repartitie naar een hybride model: solidariteit (eerste pijler) plus individuele vermogensopbouw (tweede pijler). Bij een bijdragevoet van 12% en een groeitraject van 30 jaar zouden de Belgische pensioenactiva stijgen van ongeveer 30% naar 80-100% van het bbp, dichter bij het Australische niveau (135%) en op weg naar het Deense (ruim 200%).

Internationale vergelijking: waar België staat en waar het naartoe kan

Kenmerk België HART-voorstel (BPS) Denemarken Australië Zweden
Totale bijdrage ~3-5% 12% 12-18% 12% ~23-25%*
Dekking 80% ~95%+ ~90% >90% >90%
Activa/bbp (eind 2024) ~30% 80-100% (na 30 jaar) ~204% 135% ~115%
Kosten standaardfonds ~0,2% (sectorstelsels) 0,10% (BPIF) n.b. n.b. 0,05%
Mercer-score (2025) 69,2 (B) doel: 80+ (A) 82,3 (A) 77,6 (B+) 78,2 (B+)

*Inkomenspensioen (16%) + premiepensioen (2,5%) + arbeidsmarktpensioen (meestal ~4,5%, hoger boven het loonplafond)

Jouw pensioen is niet het geschenk van een politicus. Het is het resultaat van jouw arbeid, jouw bijdragen en jouw keuzes. Op een rekening die op jouw naam staat, beheerd tegen minimale kosten, beschermd tegen noodgrepen van welke regering dan ook. De overheid garandeert het minimumpensioen als vangnet. Maar jouw welvaart na het werkende leven bouw je zelf op. En wij zorgen dat het systeem daarvoor eerlijk, transparant en betaalbaar is.


6. Financiële raming

Maatregel Jaarlijkse besparing / kostprijs
Besparingen
Dynamische koppeling aan levensverwachting (2/3-model) -1,3 à -1,5 pp bbp tegen 2070 (~€8-10 mld/jaar bij het bbp van 2025)
Pensioenhervorming van 2026 (al in de basislijn, niet meegeteld) -1,4 pp bbp tegen 2070 (Studiecommissie voor de Vergrijzing)
Versnelde convergentie ambtenarenpensioenen (2045 i.p.v. 2062) -0,2 pp bbp (HART-raming, bovenop de hervorming van 2026)
Afbouw gelijkgestelde periodes (aanscherping bovenop de hervorming van 2026) -0,2 pp bbp (HART-raming)
Kosten
Verhoging minimumpensioen +€500 mln – 1 mld/jaar
Omscholingsprogramma zware beroepen +€200-400 mln/jaar
Opbouw Belgisch Pensioenspaarplan (12% bijdrage, gefaseerd over 8 jaar) budgetneutraal (werkgevers-werknemersbijdragen via IPA, fiscaal gestimuleerd)

De dynamische koppeling is de grootste hefboom: zij alleen levert meer op dan alle andere HART-maatregelen samen. Het is de enige maatregel die het systeem structureel en permanent stabiliseert, zonder dat toekomstige regeringen opnieuw moeten ingrijpen.


Samenvatting: vijf partijpunten op één pagina

1. DYNAMISCHE PENSIOENLEEFTIJD De pensioenleeftijd automatisch koppelen aan de levensverwachting, naar het Nederlands tweederde-model: van elke 12 maanden extra levensverwachting gaat 8 maanden naar arbeid, 4 maanden naar pensioen. Herberekening om de vijf jaar, tien jaar aankondigingstermijn. Nooit meer politiek getouwtrek. De wiskunde beslist.

2. ÉÉN SYSTEEM VOOR IEDEREEN Eén pensioenformule ongeacht statuut. Convergentie ambtenarenpensioenen versnellen (klaar in 2045, niet 2062). Het percentage van 75% geleidelijk afbouwen naar 60%, gecompenseerd via een verplichte tweede pijler.

3. EFFECTIEF WERK BELOOND Gelijkgestelde periodes behouden voor ziekte, zorg en ouderschap. Afbouwen voor langdurige werkloosheid en brugpensioen. Genderimpact compenseren via hogere minimumrechten per gewerkt jaar.

4. BETERE WERKOMSTANDIGHEDEN, GEEN VROEGER PENSIOEN Geen categoriale vroegpensioenregelingen voor "zware beroepen." Individuele compensatie via loopbaanduur (42+ jaar: geen malus). Verplichte risicopreventie door werkgevers. Recht op omscholing na 20 jaar.

5. BELGISCH PENSIOENSPAARPLAN (BPS) Individuele pensioenrekening voor elke werknemer en zelfstandige, met het beste van vier bewezen systemen: Deense bijdragevoet (12%, gefaseerd via IPA), Zweeds publiek standaardfonds (BPIF, kosten 0,10%), Britse automatische inschrijving (opt-out + driejaarlijkse herinschrijving), Australisch prestatieaccountabiliteitsmechanisme. Gendercompensatie bij zorgverlof. Verplichte omzetting van minstens 50% als levenslange rente. Jouw geld, jouw rekening, professioneel beheerd, eerlijk voor iedereen.

Ons principe: Het pensioensysteem is geen verworven recht van het verleden. Het is een belofte aan de toekomst. En beloftes die je niet kunt waarmaken, zijn geen solidariteit. Het zijn schulden die je doorschuift naar je kinderen. HART wil een systeem dat eerlijk is voor wie vandaag werkt, houdbaar is voor wie morgen met pensioen gaat, en betaalbaar is voor wie overmorgen de rekening betaalt.