arrow_back Alle partijpunten
Partijpunt 8 van 30

Subsidiariteit

Partijprogramma Subsidiariteit. HART

Partijprogramma Subsidiariteit. HART Federale en Vlaamse verkiezingen

Op basis van IMF Selected Issues Paper 2023 (Fiscal Federalism in Belgium), OESO Economic Survey Belgium 2024, VIVES/KU Leuven Discussion Paper nr. 76 (2019), Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen, Bijzondere Financieringswet (1989, hervormd in 2014), en de Zwitserse, Deense en Duitse hervormingsmodellen


Onze diagnose: een staat die zichzelf in de weg zit

België heeft zes regeringen, zes parlementen en 50 ministers en staatssecretarissen (2026) voor 11,9 miljoen inwoners. De officiële lijst van het Instituut voor de Nationale Rekeningen telt ruim 3.700 overheidseenheden (2025), van gemeenten en OCMW's tot agentschappen, politiezones en intercommunales. Federale overheid, 3 gewesten, 3 gemeenschappen, 3 gemeenschapscommissies in Brussel, 10 provincies, 565 gemeenten, 565 OCMW's, 176 politiezones en ruim 200 intercommunales. Voor een land van die omvang is dat een uitzonderlijk dicht kluwen van besturen.

Het gevolg: bevoegdheden zijn versnipperd over meerdere niveaus, financiële verantwoordelijkheid is losgeweekt van beslissingsbevoegdheid, en coördinatie verloopt via honderden samenwerkingsakkoorden die te statisch en te traag zijn.

De cijfers zijn hard. Belgische subnationale overheden zijn verantwoordelijk voor 46% van de totale overheidsuitgaven maar innen slechts 16% van de totale belastingopbrengsten (IMF, 2023, cijfers van 2019). De zogenaamde vertical fiscal gap bedroeg 50% (2019): de helft van wat deelstaten en lokale besturen uitgeven, wordt niet gefinancierd door eigen inkomsten maar door transfers. Volgens het IMF is die kloof hoger dan in de meeste vergelijkbare landen. België heeft de sterkst gedecentraliseerde uitgaven van de eurozone; onder de rijke landen gaan alleen Canada, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk nog verder. In Canada en Zwitserland heffen de provincies en kantons wel zelf een groot deel van de belastingen.

Het IMF waarschuwt: dit systeem van overwegend dotatiefinanciering kan een "soft budget constraint" creëren, waarbij deelstaten sneller uitgaven verhogen omdat zij de kosten niet via eigen belastingheffing aan hun kiezers hoeven te verantwoorden. Een studie in Economics & Politics (2022) toonde aan dat de staatshervorming van 1993, die sterke uitgavenautonomie creëerde zonder corresponderende belastingautonomie, een negatieve impact had op de economische groei. Dat effect verdween kort na de hervorming van 2001, die de kloof tussen uitgaven en eigen inkomsten verkleinde.

De Belgische overheidsuitgaven bedragen 54,2% van het bbp (2025, Eurostat), de vierde hoogste van de EU. In vier grote domeinen (algemene overheidsdiensten, economische zaken, onderwijs, gezondheid) gaf België 0,3 tot 2,1 procentpunten bbp meer uit dan de buurlanden (IMF, 2023, cijfers van 2020). Ook de OESO stelt vast dat België meer uitgeeft dan het gemiddelde van de eurozone, vooral aan algemene overheidsdiensten en economische zaken (OESO Economic Survey Belgium 2024).

De kern: België heeft niet te veel of te weinig federalisme. België heeft het verkeerde federalisme: bevoegdheden zonder financiële verantwoordelijkheid, versnippering zonder coördinatie, en bestuursniveaus zonder schaal.


Ons principe: twee vuistregels

Vuistregel 1. Beslissingen op het juiste niveau. Elke bevoegdheid wordt toegewezen aan het niveau waar ze het efficiëntst wordt uitgeoefend: lokaal waar het kan, regionaal waar het moet, federaal waar schaal of solidariteit het vereist, Europees waar de interne markt of grensoverschrijdende externaliteiten het afdwingen.

Vuistregel 2. Wie beslist, betaalt. Elk bestuursniveau dat een bevoegdheid uitoefent, moet die bevoegdheid financieren uit eigen belastinginkomsten. Geen bevoegdheid zonder corresponderende fiscale autonomie. Geen dotatie zonder verantwoording.

Dit zijn geen ideologische stellingnames maar economische principes. Het decentralisatietheorema uit de economie van het federalisme (1972) toont aan dat gedecentraliseerde voorziening efficiënter is wanneer lokale overheden beter aansluiten bij lokale voorkeuren. Maar die efficiëntie vereist fiscale verantwoordelijkheid. De klassieke functieverdeling van de overheidsfinanciën (1959) plaatst allocatie lokaal en herverdeling centraal. Beide principes zijn in België structureel geschonden.


De werkelijke bevoegdheidsverdeling: complexer dan gedacht

Federale bevoegdheden

De federale overheid oefent drie categorieën bevoegdheden uit: exclusieve bevoegdheden, residuaire bevoegdheden (alles wat niet expliciet is toegewezen aan gewesten of gemeenschappen), en bevoegdheden die formeel federaal zijn maar materieel elders liggen.

Zuiver federaal: defensie, spoorwegen (NMBS), post (bpost), financieel toezicht en bescherming van spaartegoeden (NBB, FSMA, Garantiefonds) en civiel recht.

Overwegend federaal, maar gedeeld na de 6de staatshervorming (2014): justitie (justitiehuizen en jeugdsanctierecht → gemeenschappen), sociale zekerheid (kinderbijslag, ouderenzorg en arbeidsmarktactivering → gewesten/gemeenschappen; werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en ziekteverzekering blijven federaal), volksgezondheid (preventie en ouderenzorg → gemeenschappen; curatieve zorg en RIZIV-financiering federaal), prijsbeleid (rusthuistarieven en distributietarieven geregionaliseerd).

Formeel federaal, materieel elders: monetair beleid (ECB/Eurozone sinds 1999), telecommunicatie (BIPT federaal, maar radio/TV = gemeenschappen), wetenschappelijk onderzoek (BELSPO federaal, FWO/FNRS = gemeenschappen).

Gedeeld per definitie: buitenlandse politiek (grondwettelijk in foro interno, in foro externo-beginsel: gewesten en gemeenschappen sluiten eigen verdragen voor hun bevoegdheden, Vlaanderen heeft een eigen Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken), internationale handel (FIT voor Vlaanderen, AWEX/WBI voor Wallonië, hub.brussels), energie (kernenergie en transmissienet >70kV federaal; distributie, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie regionaal. Vier regulatoren: CREG, VREG, CWaPE, BRUGEL).

Gewestbevoegdheden (Vlaams Gewest, Waals Gewest, Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

Gewesten zijn bevoegd voor plaatsgebonden materies: economisch beleid en investeringssteun, werkgelegenheid en arbeidsbemiddeling (VDAB, Forem, Actiris), landbouw en dierenwelzijn, waterhuishouding, huisvesting (inclusief huurwetgeving), publieke werken en wegeninfrastructuur, energie (distributie en hernieuwbaar), regionaal openbaar vervoer (De Lijn, TEC/OTW, MIVB; de NMBS blijft federaal), milieu en natuurbehoud, ruimtelijke ordening en stedenbouw, buitenlandse handel (regionale exportagentschappen), regionale participatie- en kredietinstellingen (PMV, Wallonie Entreprendre), toezicht op provincies, gemeenten en intercommunales, en verkeersveiligheid.

Gemeenschapsbevoegdheden (Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap)

Gemeenschappen zijn bevoegd voor persoonsgebonden materies: onderwijs (vrijwel volledig, van kleuterschool tot universiteit; begin en einde van de leerplicht, de minimale voorwaarden voor diploma's en de pensioenen blijven federaal), cultuur (subsidies, erfgoed, bibliotheken), media (VRT, RTBF, BRF), sport, taalbeleid, welzijn (jeugdbescherming, gehandicaptenbeleid, ouderenzorg, Opgroeien (voorheen Kind en Gezin), VAPH), kinderopvang, kinderbijslag (sinds de 6de staatshervorming; het Groeipakket in Vlaanderen kost ongeveer €4,7 miljard per jaar (2025)), integratie van nieuwkomers en het jeugdsanctierecht.

In Vlaanderen zijn gewest en gemeenschap samengevoegd tot één instelling (Vlaams Parlement en Vlaamse Regering). In Wallonië en Brussel bestaan ze als aparte entiteiten. De Franse Gemeenschap (Fédération Wallonie-Bruxelles) is bevoegd voor Franstalig onderwijs in zowel Wallonië als Brussel.

EU-bevoegdheden

De EU beschikt over drie soorten bevoegdheden, niet over "richtlijnen" in het algemeen:

Exclusieve bevoegdheden (art. 3 VWEU): douane-unie, mededingingsregels interne markt, monetair beleid eurozone, instandhouding mariene biologische rijkdommen, gemeenschappelijke handelspolitiek.

Gedeelde bevoegdheden (art. 4 VWEU): interne markt, sociaal beleid, landbouw en visserij, milieu, consumentenbescherming, vervoer, energie, ruimte van vrijheid/veiligheid/recht (migratie, asiel, justitiële samenwerking), onderzoek en technologische ontwikkeling, cohesiebeleid.

Ondersteunende bevoegdheden (art. 6 VWEU): volksgezondheid, industrie, cultuur, onderwijs, toerisme, sport, burgerbescherming, administratieve samenwerking. Hier mag de EU geen harmonisatie van nationale wetgeving doorvoeren. Zij kan enkel ondersteunen, coördineren en aanvullen.


1. HOMOGENE BEVOEGDHEIDSPAKKETTEN: stop de versnippering

Het probleem

De meest schadelijke versnippering zit niet in de grote bevoegdheidsdomeinen maar in de splitsing binnen domeinen. Vijf concrete voorbeelden:

Arbeidsmarkt. VDAB (Vlaanderen), Forem (Wallonië) en Actiris (Brussel) zijn bevoegd voor arbeidsbemiddeling, opleiding en activering. Sinds de 6de staatshervorming controleren zij ook de beschikbaarheid van werkzoekenden en beslissen zij over de sancties daarvoor. Maar de federale RVA beslist over het recht op een uitkering, betaalt die (via de uitbetalingsinstellingen) en voert de sancties uit. De wortel en de stok zitten zo bij twee verschillende overheden. De werkzaamheidsgraad verschilt sterk: Vlaanderen 77,3%, Wallonië 67,9% (2025, Statbel/Eurostat, 20-64 jaar). Sinds de programmawet van 18 juli 2025 is de werkloosheidsuitkering beperkt tot maximaal 24 maanden. Dat vergroot het coördinatieprobleem: VDAB, Forem en Actiris moeten werkzoekenden voorbereiden op het einde van hun federale uitkering zonder dat beide niveaus één systeem vormen.

Gezondheidszorg. Negen ministers zijn bevoegd. Preventie = gemeenschappen. Ziekteverzekering (RIZIV) = federaal. Ziekenhuisfinanciering = deels overgeheveld. Ouderenzorg = gemeenschappen. De COVID-pandemie legde dit pijnlijk bloot.

Klimaat. Vier afzonderlijke klimaatplannen (federaal + drie gewesten). In de Klimaatzaak oordeelde de rechtbank in 2021 dat de vier overheden hun zorgplicht schonden; het hof van beroep legde in november 2023 de federale overheid, het Vlaams en het Brussels Gewest een reductie van minstens 55% tegen 2030 op (tegenover 1990). De zaak toonde hoe de vier overheden hun verantwoordelijkheid naar elkaar doorschuiven. Het klimaatresponsabiliseringsmechanisme uit de 6de staatshervorming werd nooit toegepast en werd opgeheven bij bijzondere wet van 11 juni 2023.

Mobiliteit. NMBS = federaal. De Lijn/TEC/MIVB = regionaal. Aansluitingen trein-bus-tram worden niet structureel gecoördineerd. Er bestaat geen geïntegreerd intermodaal vervoersysteem.

Energie. Kernenergie en transmissie = federaal. Distributie en hernieuwbare energie = regionaal. Vier regulatoren. De energietransitie vereist een geïntegreerd beleid dat in deze versnipperde structuur onmogelijk is.

Concreet voorstel

HART kiest niet voor het traditionele debat "meer regionalisering versus herfederalisering" maar voor het functionele principe: elk bevoegdheidsdomein volledig op één niveau, ongeacht de richting. Wat gesplitst is, gaat naar één niveau. Waar niveaus toch samen moeten optreden, gelden gedeelde (concurrerende) bevoegdheden met federale voorrang, naar Duits model: samenwerken wordt de standaard, niet de uitzondering. Daarbij horen één rangorde van normen (grondwet, federale wet, concordaat, deelstaatwet, gemeentelijk reglement) en een residuaire bevoegdheid bij de deelstaten: de federatie heeft alleen wat de grondwet haar uitdrukkelijk geeft, de rest is voor de twaalf deelstaten (zie HART-hoofdstuk Staatshervorming).

Dit is geen theoretische oefening. Zwitserland startte in juni 2024 exact dezelfde operatie onder de naam Entflechtung 27: Aufgabenteilung Bund-Kantone, een gezamenlijk project van de Bondsraad en de Konferenz der Kantonsregierungen. Het mandaat doorlicht 21 taakgebieden op onnodige verweving tussen federaal en kantonaal niveau, met twee leidende grondwettelijke principes: subsidiariteit en fiscale equivalentie (beslissers, betalers en begunstigden vallen samen). In april 2026 legden Bond en kantons een tussentijds rapport voor. Dat zelfs Zwitserland, met zijn al sterk gedecentraliseerd systeem, deze oefening onderneemt, bevestigt dat onvoldoende homogeniteit tussen bestuurslagen geen Belgische curiositeit is maar een erkend internationaal ontwerpprobleem. De twee principes die het Zwitserse project aansturen, zijn exact de twee vuistregels van HART.

A. Arbeidsmarkt: een federale verzekering, een prikkel bij de deelstaat

  • De werkloosheidsverzekering blijft federaal: de federatie bepaalt de bijdragen, de hoogte en de duur van de uitkering en de regels voor passend werk. Eén verzekering voor het hele land spreidt het risico van een crisis die één deelstaat harder treft.
  • De deelstaten krijgen de volledige uitvoering: arbeidsbemiddeling, opleiding, activering én sanctionering. De Vlaamse deelstaten kunnen dat samen laten doen door de VDAB, de Waalse door de Forem; Brussel heeft Actiris en Ostbelgien het ADG.
  • Wie beslist over activering, betaalt mee. De deelstaat betaalt een deel van de uitkering van wie bij hem woont, en dat deel stijgt met de duur van de werkloosheid: 20% in de eerste vier weken, 60% tot week 26, 70% tot week 52 en 80% daarna. De verevening vergoedt hem vooraf voor de werkloosheid die bij hem te verwachten is: wie beter activeert dan verwacht, houdt het verschil.
  • Referentiemodellen: Zwitserland en Denemarken. Zwitserse kantons voeren via hun regionale arbeidsbemiddelingscentra (RAV/ORP) de bemiddeling, opleiding en activering uit, en werkloosheidskassen betalen de uitkeringen uit, binnen een federale werkloosheidsverzekering die met loonbijdragen gefinancierd wordt. Deense gemeenten betalen precies die stijgende aandelen van de uitkering en worden er vooraf voor vergoed.

B. Gezondheidszorg: twee niveaus, elk met één minister

  • De federatie betaalt en regelt de zorg: de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de ziekenhuizen met hun erkenningsnormen, de geneesmiddelen, de gezondheidsberoepen en de tarieven, met één federale minister. Risicospreiding en onderhandelingsmacht vragen schaal.
  • De deelstaten organiseren de preventie en de eerstelijnszorg, naar Deens model, waar één nationaal kader geldt en de gemeenten preventie, revalidatie, thuiszorg en ouderenzorg uitvoeren. De federatie kan gezondheidsdoelen vastleggen. Zie #24 Gezondheidszorg, standpunt 1.
  • Eén minister verantwoordelijk per bestuursniveau. Geen negen ministers meer.
  • De 6de staatshervorming creëerde het slechtste van twee werelden: gedeeltelijke overheveling zonder homogenisering. Deze verdeling vermindert die versnippering in plaats van ze te vergroten.

C. Klimaat en energie: één integraal nationaal plan, heldere taakverdeling

  • Federale overheid: transmissienet, nucleair beleid, ETS-uitvoering, internationale klimaatverbintenissen.
  • Deelstaten: hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, gebouwenisolatie, het beleid voor het distributienet en ruimtelijke ordening.
  • Eén Nationaal Energie- en Klimaatplan met bindende doelstellingen voor de deelstaten en een wettelijk verankerd verantwoordingsmechanisme. Niet vier afzonderlijke plannen.
  • Fusie van CREG, VREG, CWaPE en BRUGEL tot één regulator: de CREG, ook voor de distributie. Vier regulatoren voor een land van 11,9 miljoen inwoners is buitenproportioneel.

D. Mobiliteit: geïntegreerd intermodaal vervoer

  • Eén vervoersautoriteit per deelstaat, of samen voor meerdere deelstaten in een concordaat, die NMBS-regionale lijnen, De Lijn/TEC/MIVB en aanvullend vervoer coördineert.
  • Federale NMBS behoudt het IC/IR-netwerk en internationale verbindingen.
  • Gemeenschappelijke tariefintegratie (één vervoerbewijs, alle modi): naar Zwitsers model (SBB + kantonale vervoerders onder één tariefsysteem).

2. WIE BESLIST, BETAALT: fiscale verantwoordelijkheid verankeren

Het probleem

De Bijzondere Financieringswet (1989, grondig hervormd in 2014) financiert gewesten en gemeenschappen via een complex stelsel: btw-dotatie, PB-dotatie, gewestelijke opcentiemen op de personenbelasting (autonomiefactor 24,957%), eigen gewestbelastingen (registratierechten, successierechten, verkeersbelasting), een nationaal solidariteitsmechanisme, en een overgangsmechanisme (2015-2033) dat winsten en verliezen neutraliseert.

Na de 6de staatshervorming halen de gewesten ongeveer 36% van hun middelen uit eigen ontvangsten; de gemeenschappen hebben vrijwel geen eigen belastingen (Europees Comité van de Regio's, geciteerd door het IMF, 2023). De eigen belastingen van gemeenschappen en gewesten samen stegen van 5% naar 11% van alle Belgische belastingontvangsten (2014-2019). Beter dan voordien, maar nog altijd ver onder het Zwitserse niveau, waar de kantons hun eigen inkomsten- en vermogensbelasting heffen. Het gevolg: deelstaten beslissen over uitgaven maar verantwoorden zich onvoldoende voor de financiering.

Concreet voorstel

A. Elke bevoegdheid koppelen aan eigen belastingen

  • Grondwettelijk principe: wie beslist, betaalt, en de deelstaten betalen hun uitgaven in hoofdzaak uit eigen belastingen. Geen bevoegdheid verschuift (in welke richting dan ook) zonder de belastingbevoegdheid om ze te financieren.
  • De overdrachten zijn hoogstens 30% van de ontvangsten van de deelstaten. Bij de gewesten en gemeenschappen komt 58,6% van de ontvangsten uit overdrachten (Eurostat); de vertical fiscal gap volgens het IMF bedroeg 50%.
  • Eén belastingdienst, eigen tarieven. FOD Financiën int alle belastingen van alle overheden. De federatie bepaalt de grondslag, de belastingvrije som en de schijven van de personenbelasting; elke deelstaat kiest zijn tarief binnen een band van hoogstens 20% rond een referentietarief, zoals de Deense gemeenten (van 23,39% tot 26,30%). De onroerende voorheffing, de registratie-, schenk- en erfbelasting, de verkeersbelasting en de milieuheffingen zijn volledig deelstaat. De vennootschapsbelasting en de btw blijven federaal: geen race naar beneden tussen twaalf kleine deelstaten.
  • Collectieve rem: verhogen de deelstaten samen hun tarieven boven het plafond dat de Raad van de Deelstaten jaarlijks afspreekt, dan daalt de federale bijdrage aan de verevening, naar Deens model.

B. Verevening op basis van potentieel, niet op basis van effectieve inkomsten

  • Het nationale solidariteitsmechanisme compenseert gewesten waarvan het aandeel in de personenbelasting kleiner is dan hun aandeel in de bevolking. Het kijkt enkel naar de opbrengst van de personenbelasting, en een gewest dat economisch inhaalt, verliest een deel van die winst aan minder solidariteit. Dat is een zwakke prikkel om de eigen belastingbasis te versterken.
  • Referentiemodel: Zwitserse NFA (Neugestaltung des Finanzausgleichs, 2008). Verevening gebaseerd op een breed belastbaar potentieel (Ressourcenpotenzial: inkomens, vermogens en winsten): wat een kanton zou kunnen innen bij gemiddelde aanslagvoeten, los van wat het effectief int. Een kanton dat zijn tarieven verlaagt of efficiënter werkt, verliest daardoor geen verevening. Dit beloont efficiënt belastingbeleid in plaats van het te bestraffen.
  • Een minderheid van de Zwitserse kantons is nettobijdrager (zeven in 2026), de andere ontvangen. Sinds 2020 ligt de omvang van de verevening in de wet vast: elk kanton krijgt na verevening minstens 86,5% van het Zwitserse gemiddelde aan middelen. Een effectiviteitsrapport evalueert het systeem periodiek, en bijsturing gebeurt via het parlement. De werking van het Zwitserse model hangt dus niet af van de Zwitserse referendumcultuur, en is in die zin overdraagbaar naar een Belgische context.
  • HART: een vereveningswet met een publieke formule, dezelfde voor iedereen. Elke deelstaat wordt opgetrokken tot minstens 85% van de gemiddelde fiscale capaciteit per inwoner; geografische en sociaal-demografische lasten worden vergoed; elke deelstaat krijgt vooraf een vast bedrag voor de werkloosheid die bij hem te verwachten is; het plafond wordt elke vier jaar herzien, op een rapport van het Planbureau. De Bijzondere Financieringswet verdwijnt.

C. Geen ongedekte mandaten

  • Verbod op federale regelgeving die kosten oplegt aan deelstaten, concordaten of gemeenten zonder corresponderende financiering. Naar het model van de Amerikaanse Unfunded Mandates Reform Act (1995).
  • Omgekeerd: verbod op deelstatelijke regelgeving die federale uitgaven verhoogt zonder eigen financiering.

3. MINDER BESTUURSNIVEAUS, GROTERE SCHAAL

Het probleem

België stapelt voor zijn omvang uitzonderlijk veel bestuursniveaus en instellingen op elkaar. Tussen de federatie en de gemeenten staan twee niveaus: drie gewesten en drie gemeenschappen, en daaronder tien provincies met deels dezelfde taken. De 565 gemeenten (na de fusies van 1 januari 2025) tellen gemiddeld ongeveer 21.000 inwoners, klein vergeleken met het Deense gemiddelde na de hervorming van 2007 (~55.000 inwoners).

Concreet voorstel

A. Eén tussenniveau: de provincies worden deelstaten

  • De tien provincies, Brussel en Ostbelgien worden de twaalf deelstaten. Ze komen in de plaats van de gewesten, de gemeenschappen en de provinciebesturen. De provincies bestaan al, met rechtstreeks verkozen raden, een administratie en een vast grondgebied: HART promoveert een bestaande instelling in plaats van er een nieuwe te bouwen.
  • Elke deelstaat heeft een deeltijds parlement van hoogstens 21 leden plus 1 per volle 100.000 inwoners, en een collegiale regering van hoogstens vijf leden. Geen deputaties en geen gouverneurs: de deelstaatregering coördineert de crisisbeheersing en de veiligheid.
  • De deelstaat neemt de bovenlokale coördinatie (rampenplanning, waterbeheer) en het toezicht op de gemeenten op. Onderwijs, taal, omroep en kinderbijslag regelen de deelstaten per taalgroep samen in een bindend concordaat.
  • Resultaat: 426 verkozenen in plaats van 879 in parlementen en provincieraden, hoogstens 73 regeringsleden in plaats van 101, hoogstens 365 kabinetsmedewerkers in plaats van 1.800 à 2.000.
  • Referentiemodel: Zwitserland. 26 kantons, van 16.890 inwoners (Appenzell Innerrhoden) tot 1,6 miljoen (Zürich), met deeltijdse parlementen en collegiale regeringen van vijf of zeven leden. Kleine deelstaten werken als de schaalgevoelige taken via een concordaat of federaal lopen.

B. Gemeenten van minstens 25.000 inwoners

  • Drempel: 25.000 inwoners per gemeente (naar Deens model, aangepast aan de Belgische context): van 565 naar circa 200-250 gemeenten. Het toezicht op de gemeenten en hun fusies is een deelstaatbevoegdheid.
  • Grotere gemeenten krijgen een breder takenpakket: lokale sociale diensten met het OCMW erin, eerstelijnswelzijn, lokaal werkgelegenheidsbeleid, vergunningen, de gebouwen van het basisonderwijs, lokale wegen, afval en burgerzaken. Naar Deens en Scandinavisch model.
  • De gemeenteraad kiest zelf de burgemeester, zonder bekrachtiging door een hogere regering. Gemeenten heffen opcentiemen binnen een band die de deelstaat bepaalt.
  • Referentiemodel: Denemarken 2007. Denemarken reduceerde 271 gemeenten tot 98 (richtgetal ongeveer 20.000 inwoners, anders verplichte samenwerking), schafte 13 provincies (amter) af en verving ze door 5 regio's zonder belastingbevoegdheid. Gemeenten kregen een breed takenpakket, gefinancierd via een gemeentelijke inkomstenbelasting (gemiddeld ~25%). Het resultaat: sterkere bestuurskracht, betere dienstverlening, en professionelere administraties.

C. Intercommunales rationaliseren

  • Transparantieverplichting: alle intercommunales publiceren jaarlijks een gestandaardiseerd financieel rapport.
  • Fusie van intercommunales die onder een schaaldrempel van 100.000 inwoners vallen. Veel van de ruim 200 intercommunales zijn te klein om efficiënt te opereren.
  • Beperking van politieke mandaten in intercommunales: maximaal één bezoldigd mandaat per mandataris.

4. DE BELGISCHE SENAAT: afschaffen

Het probleem

De Senaat verloor na de 6de staatshervorming het grootste deel van zijn bevoegdheden. Hij telt 60 leden (50 deelstaatsenatoren aangewezen door de gemeenschaps- en gewestparlementen + 10 gecoöpteerde senatoren), kan geen wetten meer initiëren buiten een beperkt aantal bicamerale aangelegenheden, en vergadert slechts periodiek. De Senaat kost ongeveer €42 à 45 miljoen per jaar (dotatie €44,6 miljoen in 2024 en 2025, €41,75 miljoen in 2026) en voegt in deze vorm geen democratische meerwaarde toe.

Concreet voorstel

  • Afschaffing van de Senaat.
  • In de plaats komt de Raad van de Deelstaten, naar het model van de Duitse Bundesrat: de twaalf deelstaatregeringen, met 2 stemmen per deelstaat plus 1 per volle 500.000 inwoners, samen 42. Een besluit vraagt 22 stemmen en 7 deelstaten, zonder taalveto. De Raad vervangt ook het Overlegcomité en de interministeriële conferenties.
  • De Raad stemt in met de federale wetten die de bevoegdheden of de financiën van de deelstaten raken. Weigert hij, dan zoekt een bemiddelingscommissie van Kamer en Raad een akkoord; lukt dat niet, dan beslist de Kamer met twee derden. Over de verevening, de belastingbanden en het verschuiven van bevoegdheden houdt de Raad altijd het laatste woord, en hij kan een federale wet op grond van de subsidiariteit aanvechten bij het Grondwettelijk Hof.
  • Besparing: bruto de volledige Senaatsdotatie, netto ongeveer €39-40 miljoen per jaar na de kost van het secretariaat van de Raad, plus een eenvoudiger wetgevingsproces.

5. TRANSPARANTIE: de burger moet begrijpen wie waarvoor bevoegd is

Het probleem

Voor veel burgers is het onduidelijk welk bestuursniveau bevoegd is voor welke materie. Ook de overheden zelf verliezen er tijd aan. De SERV (2023) stelt: "Er gaat veel tijd en energie naar negatieve coördinatie in plaats van positieve samenwerking." Waar de bevoegdheidsverdeling onduidelijk is, primeert volgens de SERV vaak het uitzoeken of uitvechten van wie juist waarvoor bevoegd is, en samenwerkingsakkoorden zijn vaak te statisch.

Concreet voorstel

  • Eén digitaal loket per burger: één app en één website voor alle bestuursniveaus (zie HART-hoofdstuk Digitale Overheid), die voor elke overheidsdienst automatisch doorstuurt naar het bevoegde niveau. De burger hoeft niet te weten of iets bij de federatie, de deelstaat of het concordaat hoort.
  • Bevoegdheidskaart: een publiek, interactief dashboard dat voor elk beleidsdomein toont welk niveau bevoegd is, hoeveel er wordt uitgegeven, en welke resultaten worden behaald.
  • Jaarlijkse subsidiariteitstoets: elk bestuursniveau publiceert een rapport dat evalueert of bevoegdheden nog op het juiste niveau zitten. Naar het model van de EU-subsidiariteitstoets die Belgische parlementen al uitvoeren voor Europese wetgeving. Het Grondwettelijk Hof toetst de subsidiariteit, ook op verzoek van een deelstaat of van de Raad van de Deelstaten.

6. DRAAGVLAK: de burger beslist mee over de structuur

Het probleem

Elke grondwettelijke hervorming in België vereist een 2/3-meerderheid (art. 195 GW) en in de praktijk ook een meerderheid in elke taalgroep. Anders dan Zwitserland kent België geen bindend referendum. De Zwitserse NFA werd in 2008 ingevoerd na jaren voorbereiding en een bindende volksstemming (2004, 64% ja). De logische vraag: welk mechanisme maakt in België een vergelijkbare fiscale hervorming mogelijk, in een systeem waar elke hervorming een communautair veto riskeert?

Vergelijkend bewijs toont dat ingrijpende fiscale decentralisatie historisch zelden tot stand komt via technocratische consensus. Ze volgt op een politieke trigger: een crisis, een referendumdreiging, of een begrotingsschok. Schotland kreeg de bevoegdheid om zelf de tarieven en schijven van de inkomstenbelasting op alle arbeidsinkomen te bepalen (Scotland Act 2016) pas na het onafhankelijkheidsreferendum van 2014, waarin 45% voor onafhankelijkheid stemde. Het Vlaams nationalisme speelt hier een vergelijkbare rol als het Engelse nationalisme rond de Barnett-formule: beide gevoed door de overtuiging dat de eigen regio de andere structureel overfinanciert.

Dit is geen pleidooi voor een Belgisch onafhankelijkheidsreferendum. Het is een nuchtere vaststelling: een big bang hervorming zonder externe schokbeweging heeft in vergelijkbare meerlagige democratieën weinig precedent. Wie fiscale responsabilisering wil, moet de burger zelf laten beslissen over de structuur van het land, en een pakket voorleggen dat elk landsdeel beter uitkomt dan het status quo.

Concreet voorstel

A. Twee sleutels voor de grondwet

  • Een grondwetswijziging vraagt twee derden in de Kamer en daarna een verplichte burgerstemming, met een meerderheid van de kiezers én van de deelstaten. Geen herzieningsverklaring, geen ontbinding en geen taalveto.
  • Geen enkel landsdeel beslist alleen: de vijf Vlaamse deelstaten kunnen de meerderheid van de kiezers halen, maar niet die van de deelstaten; de zeven andere hebben de deelstaten, maar niet de kiezers.
  • Zo werkt Zwitserland: een grondwetswijziging is er aangenomen als een meerderheid van de kiezers en van de kantons ze goedkeurt, en zo kwam ook de NFA er. België krijgt hetzelfde bindende referendum voor de structuur van het land.

B. Autonomie en solidariteit als één pakket

  • Een brede coalitie rond fiscale responsabilisering is enkel mogelijk als het geen nulsomspel wordt. De Schotse les: de fiscale decentralisatie kwam er pas toen zij tegelijk aan de Schotse eis voor autonomie tegemoetkwam én de rest van het Verenigd Koninkrijk geruststelde, want sinds het fiscale kader van 2016 draagt Schotland zelf het risico als zijn belastingopbrengst trager groeit. Vertaald naar België: een hervorming die zowel Vlaanderen (meer autonomie, minder transfers) als Wallonië (een verevening op potentieel met een publieke formule, een federale werkloosheidsverzekering als schokdemper) beter uitkomt dan het status quo.
  • Elk voorstel koppelt daarom fiscale autonomie expliciet aan een robuust vereveningsmodel. Autonomie zonder solidariteit is communautair onaanvaardbaar. Solidariteit zonder autonomie is economisch onhoudbaar.

Financiële raming

Maatregel Jaarlijkse besparing / opbrengst
Kantonmodel: 426 in plaats van 879 verkozenen, 73 in plaats van 101 regeringsleden, 365 in plaats van 1.800 à 2.000 kabinetsmedewerkers De politieke bovenbouw kost in de orde van de helft, met de controleraad erbij (HART-raming, niet in het totaal opgeteld)
Afschaffing Senaat +€39-40 mln (netto, na kost secretariaat Raad van de Deelstaten)
Gemeentefusies (schaalvoordelen op termijn) +€200-500 mln (op kruissnelheid)
Eén energieregulator (4→1) +€10-20 mln
Totaal becijferde structurele besparing +€249 mln tot €560 mln per jaar

De werkelijke besparing is moeilijk exact te ramen omdat ze afhangt van de vervangende structuren. De belangrijkste winst is niet financieel maar functioneel: snellere besluitvorming, duidelijker verantwoordelijkheden en effectiever beleid.


Samenvatting: 6 partijpunten

1. HOMOGENE BEVOEGDHEIDSPAKKETTEN Stop de versnippering. Eén rangorde van normen; waar niveaus samen optreden: gedeelde bevoegdheden met federale voorrang; de rest is voor de deelstaten. Arbeidsmarkt: een federale verzekering, met de activering en een stijgend deel van de uitkering bij de deelstaat. Gezondheidszorg: twee niveaus, elk met één minister. Klimaat en energie: één integraal plan, één regulator in plaats van vier. Mobiliteit: geïntegreerd intermodaal vervoer met een vervoersautoriteit per deelstaat of per concordaat.

2. WIE BESLIST, BETAALT Elke bevoegdheid koppelen aan eigen belastingen. Eén belastingdienst, een eigen tarief per deelstaat binnen een band. Overdrachten hoogstens 30% van de ontvangsten van de deelstaten. Verevening op basis van belastbaar potentieel (Zwitsers NFA-model), tot minstens 85%. Verbod op ongedekte mandaten.

3. MINDER BESTUURSNIVEAUS De provincies worden deelstaten, in de plaats van de gewesten en gemeenschappen. Gemeenten van minstens 25.000 inwoners (Deens model). Intercommunales rationaliseren en transparant maken.

4. SENAAT AFSCHAFFEN Vervangen door de Raad van de Deelstaten: 42 gewogen stemmen, beslissen bij meerderheid, zonder taalveto. Besparing netto ongeveer €39-40 miljoen per jaar.

5. TRANSPARANTIE Eén digitaal loket per burger. Publieke bevoegdheidskaart. Jaarlijkse subsidiariteitstoets per bestuursniveau.

6. DRAAGVLAK Twee sleutels voor de grondwet: twee derden in de Kamer en een ja van de burger, met een meerderheid van de kiezers en van de deelstaten. Fiscale autonomie en robuuste verevening als onlosmakelijk pakket.

Ons principe: Subsidiariteit is geen communautair wapen. Het is een efficiëntieprincipe. Elke bevoegdheid hoort op het niveau waar ze het best wordt uitgeoefend. Niet hoger dan nodig, niet lager dan mogelijk. En wie beslist, betaalt. Dat is geen ideologie. Dat is gezond verstand.